Project 'Ja, ik wil!'

Bijzondere vondsten

 

 

 

 

Vluchten kan niet meer... of toch wel?

 

Gespot door:

René

 

Eén van de kenmerken van  het huwelijkspatroon in Noordwest-Europa was het belang van consensus: partners moesten beiden instemmen met het te sluiten huwelijk. Dat wil echter niet zeggen dat gearrangeerde huwelijken helemaal niet voorkwamen. Ouders hadden namelijk in sommige gevallen wel degelijk een sterke hand in de partnerkeuze, zeker als er van één of van beide zijden veel familiekapitaal in het spel was. Niet zelden werden daarom op aandringen en onder toeziend oog van de ouders huwelijkscontracten afgesloten, waarbij niet alleen de huwelijksbeloften tussen de beoogde partners vastgelegd werden, maar tevens vastgelegd werd wie van de partners op welk deel van het gezamenlijk bezit aanspraak zou kunnen maken. Maar ook al bemoeiden ouders zich sterk met de partnerkeuze, instemming van de beoogde partner bleef echter in alle gevallen wel een vereiste. Was je trouwbelofte echter wettig en overtuigend vastgesteld, dan kon je daar niet zomaar meer onder uit… Rond 1765 bevond de toen 46-jarige Amsterdamse Sara Bom zich in een lastig parket. Volgens Hendrik Ravens zou zij aan hem (hoewel hij met zijn 23 jaar half zo oud was als zij) een belofte van trouw hebben gedaan; zij wilde onder deze belofte uit, hij wilde haar daar echter aan houden. Bemiddeling van de commissarissen van huwelijkse zaken leverde kennelijk geen resultaat op en de zaak werd voor de Amsterdamse schepenen gebracht. Hun oordeel viel nadelig uit voor Sara: zij werd geacht zich te houden aan haar trouwbelofte en dus Hendrik te moeten trouwen. Dat zij hier uit alle macht aan probeerde te ontkomen, blijkt wel uit de ondertrouwinschrijving: de inschrijving van haar ondertrouw met Hendrik Ravens beslaat niet alleen zoveel ruimte dat de andere twee inschrijvingen op die bladzijde maar leeg zijn gelaten, maar beschrijft ook een bijzondere procedure. Sara Bom, de beoogde bruid is namelijk afwezig en heeft ook niemand namens zichzelf laten verschijnen (zoals wel gebeurde door bruidegoms en bruiden die bijvoorbeeld op zee of buitenslands waren: zij lieten zich dan vertegenwoordigen door een procuratiehouder). Hendrik was echter vastbesloten zijn 23 jaar oudere beoogde bruid koste wat kost te trouwen en wist zich daarbij gesteund door het besluit van de schepenen. Bij de ondertrouwinschrijving ten stadhuize vindt dan ook een opvallende procedure plaats: de roehoudende bode (gerechtsbode die als symboel van uitoefing van het recht een takkenbos of roede bij zich droeg) wordt op grond van het besluit van de schepenen ter plekke benoemd tot formele plaatsvervanger van de beoogde bruid. Op die manier is het mogelijk de ondertrouw toch volgens de geldende regels in te schrijven, het voorgenomen huwelijk af te laten kondigen, en, mits de afkondigingen niet tot wettige bezwaren zouden leiden, uiteindelijk het huwelijk als formeel voltrokken in te laten schrijven. Nu voldaan was aan de formele eisen, leek er voor Sara geen ontkomen meer aan haar huwelijk met haar volhardende partner. Toch vond zij een oplossing, zo blijkt uit een heel andere bron, namelijk de besluiten van de Staten van Holland en Zeeland: zij vluchtte naar Vianen, net ten zuiden van Utrecht. Zij zal daarbij heel bewust voor Vianen hebben gekozen vanwege de speciale juridische status van deze plaats: als voormalig grafelijke heerlijkheid bezat Vianen, net als bijvoorbeeld het even verderop gelegen IJsselstein oude  onvervreemdbare heerlijke rechten. Het voorrecht waar Vianen het meest om bekend stond was de verlening van ‘vrijdommen’: de magistraten van Vianen hadden de bevoegdheid om aan personen binnen Vianen vrijstelling te verlenen van elders aan hen opgelegde vonnissen; dit voorrecht bleef ook gelden toen in 1725 de Staten van Holland en Zeeland dit grondgebied overkochten van de eerdere grafelijke bezitters. Door dit voorrecht, dat door de magistraten van Vianen zeer veel gebruikt werd, werd Vianen een toevluchtsoord voor velen over wie een vonnis was geveld. Vanwege de specifiek bepaalde immuniteit voor hen die bankroet geraakt waren, bevonden zich er vooral veel speculanten en anderen die vanwege financiële problemen waren veroordeeld: tot in het begin van de twintigste eeuw stond de uitdrukking ‘naar Vianen gaan’ synoniem met vluchten vanwege failissement of geldgebrek. Maar ook voor iemand als Sara, die wilde ontkomen aan het door de schepenen over haar gevelde oordeel om te moeten trouwen met haar Hendrik, was Vianen een veilig toevluchtsoord, waar de macht van de Amsterdamse schepenen, maar ook van de Staten van Holland en Zeeland niet gold. Sara vroeg en kreeg in Vianen haar vrijdom en daarmee feitelijk ontslag van haar trouwverplichting, zolang ze maar op Vianens grondgebied zou blijven. Toch liet Hendrik het er niet bij zitten: toen na twee jaar Sara nog steeds in Vianen bleek te verblijven en daar van haar vrijdom genoot, richtte hij zich toch tot de Staten van Holland en Zeeland om hen te verzoeken Sara te bevelen direct naar zijn huis terug te keren en aan hem gehoorzaam te zijn. Bovendien verzocht hij de Staten om de lokale gezagshebbers van Vianen te verplichten hem zo nodig met raad en daad bij te staan om Sara naar Amsterdam te laten terugkeren. Het verzoek wordt in één van Statenvergaderingen besproken. Uitkomst van het beraad was dat de Staten vonden dat zij, gezien de geldende heerlijke rechten van Vianen, formeel weinig recht en reden hebben om in te grijpen. Alleen in geval van zeer ernstige situaties, die de Staten zelf zouden kunnen schaden, zouden de Satten de drossaard van Vianen kunnen opdragen namens hen in te grijpen. Hiervan is volgens de Staten in dit geval geen sprake: er is slechts sprake van een persoonlijk conflict over een al dan niet gedane trouwbelofte; opvallend is dat de Staten in hun conclusie het eerdere besluit van de schepenen min of meer lijken te overrulen: volgens de Staten kan Sara op basis van de huidige situatie niet eens als getrouwde vrouw beschouwd worden en is haar huwelijk duidelijk tegen haar wil gesloten. Nadat de Staten hun voorlopige oordeel aan de Amsterdamse schepenen hebben kenbaar gemaakt, tekenen de laatsten bezwaar tegen dit oordeel aan. Volgens de Amsterdammers is er immers wel degelijk sprake van een zwaarwegende zaak: op deze manier wordt het uitoefenen van de geldende regels en wetten volgens hen een illusie en ondermijny het gebruik van vrijdommen verlenen door Vianen een correcte rechtsgang. De Staten blijven ondanks het Amsterdamse protest er van overtuigd dat deze zaak veel te licht is om daarvoor de heerlijke rechten van Vianen te schenden en zij besluiten op 5 mei 1767 dan ook definitief de eis van de hand te wijzen. Of Hendrik sindsdien nog andere pogingen heeft ondernomen om zijn vermeende bruid terug te halen, is mij momenteel niet bekend, maar aangezien Sara in 1777 in Vianen overlijdt, lijkt er op te duiden dat de pogingen van Hendrik in ieder geval vergeefs zijn geweest. Maar toch heeft hij zijn partner ook dan nog niet vergeten en blijkt mogelijk de ware reden van zijn vasthoudendheid: zijn vader, die ook al als getuige optrad bij zijn opvallende ondertrouwinschrijving, begeeft zich naar het Utrechtse Hof van Justitie en vraagt daar, daartoe gemachtigd door zijn zoon, een proces te mogen beginnen om aanspraak te maken op de erfenis van Sara, waarop Hendrik als ‘weduwnaar’ recht meent te hebben. Of het dus pure liefde was die zijn vasthoudendheid bepaalde, valt te betwijfelen…..

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

'Het huwelijkscontract', een schilderij van Jan Josef I Horemans, waarop de vastlegging van een huwelijkscontract bij de notaris is afgebeeld. Het schilderij dateert uit 1768 en geeft dus deze gebeurtenis weer exact in de periode waarin de naastbeschreven situatie zich afspeelt. Klik op de afbeelding voor een grotere versie of klik hier voor de brongegevens.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bruidegom ontleed(t): Nicolaas Tulp

 

Gespot door:

 Petra

 

De naam Claes Pieterszoon zal je weinig zeggen: toch was dit de naam waaronder de latere arts, burgemeester, en schepen in zijn jeugd bekend was. Op 18-jarige leeftijd vertrok de in 1593 geboren Amsterdammer naar Leiden om daar medicijnen te studeren; in 1614 keerde hij terug naar Amsterdam en trouwde daar drie jaar later met zijn eerste echtgenote Eva Egbertsdr van der Voech, in de ondertrouwinschrijving van zijn tweede huwelijk (in 1630) vermeld als Aeffgie Egbers. Naast zijn werk als arts was hij ook actief in het stadsbestuur van Amsterdam: in 1622 werd hij gekozen tot schepen. Aangezien schepenen akten dienden te zegelen, moest Claes Pieterszoon ook een wapen voor zijn zegel kiezen: de keuze viel op een afbeelding van een tulp. Die afbeelding zou hij overigens breder gaan gebruiken: niet alleen zijn zegelring droeg die afbeelding, ook een uithangbord of gevelsteen en zijn koets waren hiermee versierd. Het duurde dan ook niet lang voordat hij ook zijn naam opsierde met de achternaam Tulp. Hij had overigens goede naam gemaakt: zijn verhandelingen over medicijnen en het menselijk lichaam behoorden in zijn tijd als standaardwerken in zijn vakgebied. In 1628 werd hij dan ook benoemd tot prelector (voorlezer) van het Chirurgijnsgilde, dat eerst domicilie hield aan de Nes en later in de Waag. Vanaf 1652 legde hij zich echter volledig toe op de Amsterdamse politiek: twee jaar later werd hij gekozen als één van de burgemeesters, een functie die hij daarna nog twee keer zou vervullen. Eén van zijn maatregelen was het verbieden van grootse bruiloftfeesten tijdens de pestepidemie die Amsterdam in het midden van de zeventiende eeuw teisterde. In 1673, een jaar voor zijn overlijden, werd Tulp benoemd tot Gecommitteerde Raad in 's-Gravenhage. Het huis van Nicolaas Tulp bestaat overigens nog steeds, maar je zult tevergeefs naar de afbeelding van een tulp zoeken: het huis aan de Keizersgracht 210 werd in 1706 door zoon Diederik Tulp verkocht en in 1707 in opdracht van de nieuwe eigenaar Willem van Schie verbouwd.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Portret van Nicolaes Tulp, door J. Buys en Reynier Vinkeles in 1793 vervaardigd, mogelijk naar een ouder voorbeeld. Klik hier voor de brongegevens.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoekplaatje of zoekblaadje?

 

Gespot door:

 René

 

Je zult ze vast wel eens tegengekomen zijn, de meldingen in de marge van een ondertrouwinschrijving waarin de bode van de commissarissen van huwelijkse zaken (vaak alleen aangegeven met zijn achternaam) wordt opgedragen langs te gaan bij één van de ouders van het aanstaande bruidspaar om het consent op te halen. Of er staat vermeld dat de bode het consent inmiddels al van de ouder of een andere betrokkene heeft vernomen. Naast het ophalen en overleggen van de ouderlijke consenten had de bode echter ook de taak om op onderzoek uit te gaan indien de commissarissen van huwelijkse zaken daartoe aanleiding zagen. Meestal was dat het geval als iemand bezwaren had geuit tegen het voorgenomen huwelijk of als er andere zaken aan het licht gekomen waren die mogelijk een wettelijke belemmering vormden voor het sluiten van het huwelijk. Meestal blijft dit beperkt tot wat korte krabbels in de marge, maar in één van de ondertrouwregisters uit 1640 biedt een achtergelaten briefje van de bode een korte, maar interessante blik in de gang van zaken. Op 13 oktober 1640 lieten Ritchard Hatshon en Maria Teller, beiden afkomstig uit Engeland, hun voorgenomen huwelijk inschrijven. Hun huwelijksvoornemen werd vervolgens afgekondigd op de daaropvolgende zondagen. Na de tweede afkondiging moet echter bij de commissarissen bekend zijn geworden dat de aanstaande bruid mogelijk nog getrouwd was met de in 's-Hertogenbosch gelegerde soldaat Hendrick Jansszen, althans volgens de verklaring van diens medesoldaat Jan Datjert. De commissarissen laten vervolgens de derde huwelijksafkondiging (gebod) uitstellen (ophouden), om hierin duidelijkheid te scheppen. Uit het briefje van de bode blijkt dat hij op pad is gegaan om een verklaring af te nemen van het aanstaande bruidspaar. Uit de intekening wist hij waar hen te zoeken, alhoewel dat zeker niet eenvoudig geweest zal zijn: het Hemelrijk was een verzameling sloppen aan de kop van de Nieuwendijk en ook het adres van de aanstaande bruid, de Monnikendwarsstraat, was dichtbebouwd. Uit het briefje blijkt dan ook dat de bode vergeefs gezocht heeft naar de verloofden; hij heeft daarom maar een verzoekje neergelegd om contact op te nemen.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Briefje van de bode van de commissarissen van huwelijkse zaken uit 1640, waarin hij de zoektocht naar het aanstaande bruidspaar Ritchard Henshon en Maria Teller beschrijft. Klik voor een grotere versie op de afbeelding. Klik hier voor de transcriptie. 

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zo vader, zo zoon (of omgekeerd??)

 

Gespot door:

Van der Hall

 

Onlangs vond één van onze deelnemers eem wel heel opvallende combinatie van ondertrouwinschrijvingen. Op 15 maart 1765 kondigt de dan 26-jarige Hendrik Clostermeijer, afkomstig uit de Goudsbloemstraat in de Amsterdamse Jordaan, zijn huwelijk aan met de drie jaar oudere Maria Langenberg. Hoewel hij wettelijk gezien meerderjarig was, hanteerden de Amsterdamse huwelijkscommissarissen vaak toch de regel dat aanstaande echtelieden van onder de 30 jaar oud een bewijs van ouderlijke toestemming (consent) moesten overleggen, danwel hun ouders moesten meebrengen bij de intekening van de ondertrouw. Het is dan ook geenszins verbazing wekkend dat de aanstaande bruidegom zich liet vergezellen door zijn vader Nicolaas. Aangezien ook de bruid nog onder de 30 jaar oud was, liet ook zij zich vergezellen door een getuige, in dat geval Pieter Keep (haar beide ouders waren blijkens de inschrijving al overleden; de inschrijving vermeldt helaas niet de relatie van de getuige to de bruid). Tot nog toe niets vreemds: zelfs het feit dat de aanstaande bruid iets ouder was dan haar verloofde wekt in het licht van het Europese Huwelijkspatroon nauwelijks verbazing. Het bijzonderen zit hem echter in de combinatie met de volgende inschrijving: direct na de huwelijksinschrijving van zijn zoon laat vader Nicolaas zijn eigen aanstaande (tweede) huwelijk inschrijven. Clostermeijer senior was namelijk eerder gehuwd geweest (ondertrouw te Amsterdam, 8 mei 1737) met Maria Catrijna Leijdensbergh; hij was toen 21 jaar oud en woonde aan het Singel. Zijn eerste echtgenote werd begraven op 6 mei 1764 op het Karthuizerskerkhof te Amsterdam, tegenwoordig de lokatie van de Noorderspeeltuin in Amsterdam, destijds een begraafplaats voor Rooms-katholieke Amsterdammers. Iets meer dan tien maanden later volgde dus zijn tweede huwelijk met de weduwe Maria Catarina Schreuder (waarschijnlijk is haar naam verkeerd verstaan: in de overige akten wordt zij vermeld met de achternaam Scheuning). Zij was inmiddels al wat langer (en zelfs twee) keer weduwe: haar vorige echtgenoot Mourits Schipper, met wie zij op 28 juli 1740 in ondertrouw was gegaan, werd op 22 augustus 1762 eveneens op het Karthuizerkerkhof begraven; haar eerste ondertrouwinschrijving dateerde van 19 mei 1730, toen met Antonij Werike, die onder de naam Antonie Werken op 8 oktober 1736 begraven werd op het Karthuizerkerkhof, ooit de tuin van het daar gelegen Karthuizerklooster. Ook Clostermeijer senior (achternaam ook gespeld als Kloostermeijer) was inmiddels verhuisd naar de Goudsbloemstraat: of hij inwoonde bij zijn zoon of elders in de straat een woning betrokken had valt niet uit de inschrijvingen op te maken. Hij zou zijn weduwe, die op 23 februari 1775 begraven werd, nog acht jaar overleven, alvorens hij op 28 april 1783 (hij zal dan 66 of 67 jaar geweest zijn) op het eerder genoemde kerkhof begraven werd. Overigens liet hij toen nog een weduwe na: immers, nog geen vier maanden na het overlijden van zijn tweede echtgenote volgde de intekening van zijn derde huwelijk, ditmaal met Johanna van Dieden.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Fragment van een kaart van 1662, ontworpen door Daniël Stalpaert en gedrukt door Nicolaes Visscher. Het fragment bevat de locaties uit het verhaal hiernaast: uiterst links is het Singel zichtbaar, waar Clostermeijer seniotr ten tijde van zijn eerste huwelijk woonde. Het getal 70 geeft op de kaart de locatie van het Karthuizerkerkhof weer; de Goudsbloemstraat lag daar slechts enkele straten noordelijker vandaan (let op: op deze kaart ligt het noorden beneden). Klik voor een grotere versie op de afbeelding of klik hier voor de brongegevens.,

 

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Liefde op leeftijd

 

Gespot door:

Anita

 

In mei 1778 betrok het Amsterdamse koppel Leendert Hoop (53 jaar oud) en Elisabeth Arbman (54) hun huisje in het Sint Joris-proveniershuis in Haarlem, een bejaardeninstelling waarin ouderen tegen betaling van een bepaald bedrag voor de rest van hun leven eten en onderdak ontvingen. Uit de Amsterdamse ondertrouwakten blijkt dat ze 31 jaar eerder, op 12 mei 1747 om precies te zijn, in ondertrouw waren gegaan. In de jaren die volgden kregen ze minimaal vijf kinderen en ook een aantal kleinkinderen waarbij ze in 1775, 1776 en 1779 als doopgetuigen optraden. Hoewel dit oudere Amsterdamse koppel in theorie natuurlijk bij één van hun kinderen had kunnen intrekken, besloten Leendert en Elisabeth toch een flink bedrag te betalen voor een plaats in het proveniershuis. Waren hun net-getrouwde kinderen te druk met hun eigen jonge huishouden en jonge kroost? Het lijkt er wel op. Uit de Amsterdamse ondertrouwakten blijkt dat zoon Johannes in 1775 ondertrouwde in de stad, terwijl een andere zoon, Jonas Hoop Leendertsz, in juni 1778 zich als aanstaande bruidegom liet inschrijven, eveneens in Amsterdam. Kleinkinderen volgden echter snel zoals uit het doopregister blijkt. Bovendien was het in de vroegmoderne Republiek allang niet meer vanzelfsprekend dat je als oude ouder(s) introk bij een van je getrouwde kinderen. Elisabeth en Leendert waren ook zeker niet het enige echtpaar dat zich samen inkocht in een proveniershuis. In Haarlem zaten verschillende koppels van wie de kinderen het huis uit waren, waren overleden of die nooit kinderen hadden gehad. Er waren bovendien echtparen die trouwden net voordat zij het proveniershuis ingingen. En ook binnen het huis zelf kon de liefde ontvlammen.Verschillende proveniers trouwden met elkaar en trokken vervolgens bij elkaar in. Dat trouwen op late leeftijd had verschillende voordelen, waarbij niet de minste de steun die echtelieden elkaar konden verlenen in de oude dag. Het verlenen van deze wederzijdse steun was een belangrijke maatschappelijke waarde. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de vele oude mannenhuizen en hofjes die in de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd hun deuren openden juist bestemd voor mannen en vrouwen die niet konden terugvallen op de hulp van een partner: singles, weduwen en weduwnaars. Voor proveniers die zelf betaalden voor hun zorg, was die regel niet van toepassing. Zij konden samen intrekken in een bejaardentehuis. En voor hen gold blijkbaar: je moet het niet van je kinderen hebben, maar van je partner!

Binnen ons onderzoeksteam doen we in het VIDI-project 'Nature or Nurture?' onder andere onderzoek naar ouderenzorg in de vroegmoderne tijd en hoe deze samenhangt met maatschappelijke en demografiche ontwikkelingen zoals het West-Europese Huwelijkspatroon.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Schilderij van het Sint Joris-proveniershuis aan de Grote Houtstraat te Haarlem, vervaardigd rond 1800 door Wybrand Hendricks. Tot de Reformatie beviond zich op deze plaats het vrouwenklooster Sint Michiel, daarna werd het terrein in gebruik genomen door de Haarlemse schutterij. In 1592 werden de kloostergebouwen vervangen door het Doelengebouw van de schutterij, dat dienst deed tot 1682 en daarna achtereenvolgens als Heerenlogement (1682-1707), proveniershuis (1707-1810), en Oudemannenhuis (1810-1866) gebruikt werd. Klik voor een grotere versie op de afbeelding of klik hier voor de brongegevens.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een wankel bestaan - drankgebruik in het Amsterdamse verleden

 

Gespot door:

Annelies

 

Hoewel we weten dat veel Amsterdamse weduwen en weduwnaars hertrouwden, komen we uit de ondertrouwinschrijvingen meestal weinig over de overlijdensfoorzaken van hun voorgaande partners te weten. Slechts in een paar gevallen licht de inhoud van de ondertrouwinschrijving een tipje van de sluier op, zoals bij de weduwe die aangaf dat zij weduwe was geworden ‘sedert de laetste pesttijd’. Ook de ondertrouwinschrijving van de weduwe Swaentgie Luycas van 13 december 1625 geeft ons een inkijkje in de laatste levensdagen van haar overleden echtgenoot.  De reden dat we in dit geval wat meer te weten komen over zijn doodsoorzaak, hangt samen met het feit dat zij geen bewijs van zijn overlijden en/of begraven kan overleggen. Om te bewijzen dat de vorige partner ook werkelijk overleden was, moest de weduwe/weduwnaar voor de huwelijkssluiting daarvan bewijs overleggen, oftewel ‘inbrengen’. Dat kon een getekende verklaring van de lokale geestelijke zijn, maar in veel gevallen was een bewijs van betaalde begraafkosten of zelfs alleen de rouwkaart voldoende. Lastiger was het voor vrouwen en mannen van wie de eerdere partner in het buitenland of op zee was overleden; en met name dit laatste kwam in de havenstad Amsterdam met zijn vele VOC-schepen regelmatig voor. Om het ontbreken van een papieren bewijs van overlijden te compenseren, was in die situaties een betrouwbare getuigenis nodig van anderen die met zekerheid konden verklaren dat de betreffende partner overleden was; in het geval van zeevarenden waren dit dan ook vaak mede-opvarenden. Ook het overlijden van Gerrit Willemssen wordt in een aan de weduwe overhandigde verklaring door twee van zijn scheepsmaten onder ede bevestigd. Het aardige in dit geval is dat we door hun getuigenis ook een korte blik kunnen werpen in zijn laatste levensdagen. Uit de verklaring van Albert Gerritssz Timmerman en Jan Jegerlinck van Cleeff  blijkt namelijk dat het schip waarop zij zaten een reis van Embden maakte. Uit de getuigenis van Albert blijkt dat Gerrit hetzij op het schip, hetzij aan wal flink aan de drank was geweest: hij verklaart dat hij Gerrit ‘in ’t boot heeft geholpen (alsoo hij seer droncken was) om naar ’t schip te vaeren’. Helaas laat de verklaring in het midden of het er daarbij ging om Gerrit in een sloep naar zijn schip te brengen, of dat hij wellicht overboord was geslagen en uit het water in de boot moest worden geholpen. Ook geven de getuigenverklaringen geen duidelijkheid over de feitelijke doodsoorzaak: is hij te water geraakt en ten gevolge daarvan omgekomen, of heeft een alcoholvergiftiging hem uiteindelijk de das omgedaan? Feit is in ieder geval dat hij uiteindelijk is overleden; Jan Jegerlinck verklaart dat te weten omdat hij hem zelf heeft begraven. Overlijdensgevallen vanwege drankgebruik waren overigens zeker niet zeldzaam in Amsterdam. Niet alleen waren alcoholische dranken vrijwel overal te verkrijgen (uit gegevens uit die tijd weten we bijvoorbeeld dat de stad in 1513 liefst 518 tapperijen telde), maar ook was het gebruik van alcohol algemeen geaccepteerd: vanwege de slechte kwaliteit van stedelijke watervoorzieningen was het drinken van licht-alcoholisch bier destijds veel gewoner dan het drinken van water; voor het brouwen van het bier werd dagelijks vers en (relatief) zuiver water vanuit de Vecht aangevoerd met waterschepen. Maar ook sterkere drank dan bier was volop verkrijgbaar: vooral brandewijn werd in de loop der tijd een geliefde sterke drank onder de Amsterdammers; de hoofdstad telde in 1663 400 brandewijnbrouwers, die gezamenlijk jaarlijks zo een 3.000 flessen afleverden. Openbare dronkenschap was dan ook alom tegenwoordig, maar was niet strafbaar zolang dit geen probleem opleverde voor de openbare orde. In het artikel van Maarten Heil  staan een paar mooie voorbeelden van bekende drinkebroers (en –zusters!) uit de achttiende en negentiende eeuw. Om dit stuk in stijl af te sluiten: wij wensen alle deelnemers van het project ‘Ja, ik wil!’ en hun naasten een goed en voorspoedig 2015! Proost!!

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Schilderij van Jan Steen, getiteld ' Dronken paar' en vermoedelijk geschilderd tussen 1655 en 1665. Het schilderij maakt deel uit van de Eregalerij in het  Amsterdamse Rijksmuseum en toont een echtpaar dat in kennelijke staat van dronkenschap verkeert. Op de achtergrond ontvreemden buiten-staanders ondertussen ongemerkt de bezittingen van het paar. Opvallend is ook de prent van de uil aan de wand: destijds was de uil niet per se het symbool van wijsheid, maar juist ook een symbool van 'ziende blind zijn': een uil heeft overdag immers nauwelijks gezichtsvermogen. Bron: Collectie Rijksmuseum Amsterdam. Klik voor een grotere versie op de afbeelding  of klik hier voor de brongegevens. 


Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kerstgroeten vanuit het Soete-Naem-Jesus-steegje - opvallende Amsterdamse straatnamen (1)

 

Gespot door:

alle deelnemers

 

Straatnaamcommissies hebben tegenwoordig geen gemakkelijke taak. Want vind maar eens een naam die historisch en ethisch verantwoord is, de bewoners aanspreekt en ook nog past binnen de buurt waarin de straat ligt of komt te liggen. En zelfs al heb je al mensen voor ogen waarnaar je straten kunt vernoemen, dan nog zorgt de naam zelf soms voor problemen: hoe vaak zullen de bewoners van het Almeerse Dag Hammarskjöldhof hun straatnaam al hebben moeten spellen wanneer ze die telefonisch doorgaven? In zekere zin was de naamgeving in vroeger tijden dan toch eenvoudiger: de straat kreeg eenvoudig de naam mee van het kenmerk waardoor deze zich onderscheidde van de andere: zo werd een lange straat de Langhestraet en de brede straat die naar het toenmalige Sint Anthonisgasthuis leidde werd vanzelf de Anthonisbreestraet. Ook als de straat opviel door een groot aantal ambachtslieden die hetzelfde vak uitoefenden of door een groot aantal mensen die een specifiek geloof aanhingen, kwam dat vaak in de naam tot uiting: zo gaven de brouwers en de leerlooiers hun namen aan respectievelijk de Brouwersgracht en Looiersstraat en kreeg de Nieuwe Herengracht vanwege haar vele Joodse bewoners de naam van Joden Herengracht. Overigens was dergelijke naamgeving niet altijd van toepassing: zo woonden aan de Herengracht, Keizersgracht, Prinsengracht, en Koningsgracht (de laatste werd later hernoemd tot Singel) uiteraard geen vorsten, maar waren deze namen bedacht aan eerbetoon aan verschillende staatshoofden en belangrijke bestuurders. Van veel straatnamen lijkt de betekenis wel duidelijk, maar u zult als invoerder ongetwijfeld al een paar vreemde namen zijn tegengekomen, waarvan de naam niet direct duidelijk is en waarbij soms de naam door de eeuwen ook flink verbasterd is geraakt. Zo was de Ramskooi, tegenwoordig een klein doodlopend straatje in de ‘oksel’ van het Victoria Hotel aan het Rokin, waarschijnlijk helemaal geen plek waar een ram werd gehouden: aangezien de steeg vroeger Jan Ranskooy heette, verwijst de naam waarschijnlijk naar de eendenkooi die Jan Ran hier in de late Middeleeuwen bezat: dit deel van Amsterdam was toen nog buitendijks land. Een andere kleine steeg met een bijzondere naam was (en is!) de Balk in ’t Oogsteeg, een nauw steegje tussen de Amstel en de toenmalige Botermarkt (nu: Rembrandtsplein). Dit steegje, dat tegenwoordig nauwelijks nog als zodanig te herkennen is, dankte zijn naam aan de gevelsteen aan één van de huizen, waarin een balk in een oog werd afgebeeld, ongetwijfeld verwijzend naar de Bijbelse uitdrukking uit het Evangelie van Mattheüs (Mattheüs 7:3-5), die gelovigen er op wijst eerst naar hun eigen tekortkomingen te kijken alvorens anderen op kleine fouten af te rekenen: ‘En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet!’. En nu we toch in religieuze kringen zijn aanbeland: ook de straat Gebed zonder End die u af en toe tegen zult komen bestaat nog steeds: het is een steeg die parallel loopt tussen enerzijds de Nes en anderzijds de Oudezijds Voorburgwal. Voor de Alteratie van 1578 stond dit gebied bekend als de ‘Stille Zijde’, aangezien zich hier vele kloosters bevonden, hetgeen direct ook de naam van de straat verklaart (overigens bleek het straatnaambordje zo populair – en daardoor zo vaak gestolen - dat dit inmiddels is vervangen door een op de muur geschilderde versie!). Niet meer bestaand, maar gezien de Kerstdagen wel de meest passende straatnaam om dit stukje mee te besluiten is het Soete-Naam-Jesus-steegje. Het steegje was een kleine smalle steeg, gelegen tussen de Warmoesstraat en het Oudekerksplein, evenwijdig aan de Wijde Kerksteeg: tegenwoordig is de steeg verdwenen onder nieuwe bebouwing. De naam van dit steegje verwijst hoogstwaarschijnlijk naar het altaar van het Amsterdamse kuipersgilde, het Altaar van den Zoeten naam Jezus in de Oude Kerk. We hebben het afgelopen jaar al vele bijzonder vondsten voorbij mogen zien komen en hopen ook voor het komend jaar op vele mooie, bijzondere, en interessante vondsten. Het Projectteam van ‘Ja, ik wil!’ wenst u in ieder geval goede Feestdagen en alle moois voor het nieuwe jaar!

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

In blauw is de locatie van het Soete-Naam-Jesus-steegje op de 17e-eeuwse plattegrond van Amsterdam aangegeven. Het steegje (op deze kaart aangegeven met nummer 229) lag evenwijdig an de nog steeds bestaande Wijde Kerksteeg, tussen Warmoesstraat en Oudekerksplein. Bron: Straet-view (Scheepvaartmuseum Amsterdam), plaatsindicatie aangebracht door auteur van dit artikel. Klik voor een grotere versie op de afbeelding  of klik hier voor de volledige kaart (zonder de door de auteur aangegeven locatieaanduiding). 


Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Talrijke telgen toegewenst - Huwelijksgedicht voor een zeeman

 

Gespot door:

Aleid Reerink

 

Hoewel vooral de namen van vlootvoogden zoals Maarten Tromp, Piet Hein, en Michiel Adriaenszoon de Ruyter als zeehelden in het collectieve geheugen zijn blijven hangen, waren er uiteraard nog veel meer bevelhebbers binnen de uitgebreide Hollandse vloot. Eén van deze minder bekende zeelieden was bijvoorbeeld Willem Theodorus (Theodoor) Huyghens (1719-1775), kapitein van het edelmogende College ter Admiraliteit te Amsterdam. Dit college was één van de vijf Admiraliteitscolleges die in 1597 waren ingesteld als opvolgers van de eerdere admiraliteiten. Deze eerdere admiraliteiten (Amsterdam viel tot 1586 onder de admiraliteit van het Zuiderkwartier met als hoofdkwartier Rotterdam) hadden vanaf de veertiende eeuw het gezag over en de verantwoordelijkheid voor de Hollandse vloot. Naast Amsterdam hadden vanaf 1597 ook De Maze (Rotterdam), het Noorderkwartier (Hoorn en Enkhuizen), Friesland (Dokkum, na 1645 Harlingen), en Zeeland (Middelburg) hun eigen Admiraliteitscolleges. Hoewel de taken van de zeevaarders uiteraard allereerst op het water lagen, hadden vele bevelhebbers goede connecties met stedelijke en gewestelijke bestuurders. Voor Willem Theodorus Huyghens was dat niet anders: zijn vader behoorde tot de Amsterdamse Thesaurieren Extra-ordinaris (bijzondere  schatbewaarders, verantwoordelijk voor het beheer van de bijzondere kostenposten, zoals bijvoorbeeld de oorlogskas), zijn neef Willem was meerdere jaren Commissaris van Kleine Zaken en maakte in die functie deel uit van een rechtscollege waar kleine financiële conflicten werden behandeld, en zijn oom Theodorus was enkele jaren commissaris van huwelijkse zaken te Amsterdam en wordt dus ook regelmatig in de ondertrouwinschrijvingen vermeld. Hoewel we weten dat Willem Theodorus Huyghens verschillende schepen onder zijn bevel heeft gehad (onder andere het oorlogsschip  Leeuwenhorst), gaat het in dit artikel niet over zijn maritieme loopbaan, maar over zijn huwelijk. Op 10 februari 1750 treedt hij namelijk in Amsterdam in het huwelijk met Henrietta Cornelia van Marselis. Het aardige is dat van dit huwelijk twee gelegenheidsgedichten bewaard zijn gebleven. Het aanbieden en voordragen van een gedicht was vanaf de Renaissance een ‘must’ bij elk huwelijk van de gegoede klasse en was ook een soort statussymbool. Samenstellers van een dergelijk gedicht konden dan ook niet volstaan met een eenvoudig rijmpje: de inhoud moest getuigen van kennis van de klassieke Oudheid, maar ook qua vorm en inhoud moest het huwelijksgedicht aan bepaalde voorschriften voldoen: zo moest er in ieder geval – zij het versluierd – verwezen worden naar de liefdesdaad die zou volgen, liefst met de wens van een kroostrijk nageslacht. Uiteraard speelde ook de achtergrond van de pasgehuwden een belangrijke rol in de inhoud, waarbij uiteraard de positieve kanten van respectievelijk bruid en bruidegom uitbudnig geprezen werden. Zo noemt het eerste gedicht de bruidegom een ‘strijdbare oorlogsheld in ’t winnen zo bescheiden, / […] nu verwinnaar van zijn dierbare zielsvrindin’. Ook de tweede dichter prijst Theodoors zeemanschap, en roept op: ‘Roemt Theodoor, gewoon te zwerven op de baaren / ten nut van ’t dierbaar vaderland; / die onbevreesd voor loot [verwijzing naar kogels] en zeegevaren / door eigen dapperheid zyn eigen lauwren plant […]’. En uiteraard worden ook de schoonheid en de bruid uitbundig geprezen: ‘geen krans van lauwerloof, gebloemte of bruiloftskroon / zal haar meer schoonheid geven’. Wat betreft de ‘veel wakkre telgen’ en de ‘rei aan ed’le telgen’ die de respectievelijke dichters het bruidspaar toewensten is dat vrij beperkt gebleven, aangezien uit het huwelijk in totaal twee zoons geboren: Hendrik (gedoopt te Amsterdam, 10 december 1750) en Michiel (eveneens te Amsterdam gedoopt op 9 december 1753).

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Titelblad van de 'Egt-Krans voor den weledelen gestrengen heere Willem Theodorus Huyghens, kapitein ter zee, in dienst van het Edelmogend Collegie der Admiraliteit te Amsterdam en de weledele jongkvrouwe Henrietta Cornelia van Marselis', gepubliceerd ter gelegenheid van hun huwelijk, 10 februari 1750.  Bron: Google Books. Klik voor de volledige versie op de afbeelding  of klik hier voor de brongegevens. 


Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Een zieke stad - Pestepidemieën in Amsterdam

 

Gespot door:

Annelies

 

Op 20 mei 1620 wordt in Amsterdam de ondertrouw ingetekend tussen Lijntjen Gielis, weduwe van Abraham d’ Assouville, en weduwnaar Willem Claess Kool. Opvallend daarbij is de verklaring van Lijntje over de duur van haar weduwschap: zij vermeldt deze niet, zoals gebruikelijk, in jaren of maanden, maar verklaart aan de commissarissen van huwelijkse zaken dat zij weduwe is ‘sedert de laetste pesttijd’. Hoewel het verleidelijk is om aan te nemen dat zij dus 18 jaar weduwe is (de laatste grote pestepidemie in Amsterdam voor 1620 dateerde namelijk van 1602), is dat niet met zekerheid vast te stellen: in de tussentijd laaide de ziekte met regelmaat weer op in en rond de stad. Ook in de eeuwen voor 1600 kwam de pest al regelmatig voor, al was dat vermoedelijk vaker de longpest dan de builenpest.  De builenpest was een gevreesde ziekte in het vroegmoderne Amsterdam: door de hoge sterftecijfers, de zware koortsen en pijnen waarmee de ziekte gepaard ging, het snelle verloop van de ziekte (onbehandelde patiënten stierven meestal binnen drie tot vijf dagen na de eerste symptomen), de vele pestbulten die de lijders aan de ziekte vertoonden, en de waanzin die pestlijders leken te vertonen (in werkelijkheid hadden ze een koortsdelirium) werd pest destijds beschouwd als een wrake Gods tegen de gemeenschap. Wat deze vorm van pest veroorzaakte en hoe de ziekte overgebracht werd, was toen nog niet bekend: pas in 1894 werd de bacterie Yersinia pestis als veroorzaker van de builenpest ontdekt en het duurde daarna nog vier jaar voordat bekend was dat rattenvlooien deze bacterie konden overdragen op mensen. De ‘bloeitijd’ van de builenpest in Amsterdam valt samen met de sterke economische groei tijdens de Gouden Eeuw. Dat was uiteraard niet geheel toevallig: enerzijds bracht de enorme toename van de scheepvaart een vrijwel constante aanvoer van ziekteverwekkers met zich mee via de ratten die zich in de scheepsruimen ophielden, anderzijds was de hoge bevolkingsdichtheid van Amsterdam in combinatie met gebrekkige tot slechte hygiënische omstandigheden in de stad uiteraard een broeinest voor diverse ernstige ziekten. Toen Lijntjen hertrouwde, hadden zich al twee grote epidemieën van de builenpost in Amsterdam huisgehouden: in 1602 stierven ruim 10.000 Amsterdammers (10 procent van de bevolking) aan de ziekte, en ook de epidemie van 1624 had een soortgelijke omvang. De ‘topjaren’ van de ziekte moesten echter nog komen: ondanks de bouw van een nieuw Pesthuis (gelegen aan de huidige Overtoom) braken in 1636, 1654-1655 en 1663-1664 opnieuw zware epidemieën uit, die elk circa één-tiende van de toenmalige bevolking het leven kostte. Met name de uitbraak van 1663-1664 is berucht: rond de 27.000 Amsterdammers verloren toen het leven. De ernst van de situatie was zelfs internationaal bekend: zo vaardigde de Italiaanse stad Pacenza in 1663 een ordonnantie uit die de toegang tot die stad voor alle personen en producten die uit Amsterdam kwamen of daar recent geweest waren verbood, overtreders van dit verbod zouden onmiddellijk ter dood worden gebracht. Overigens brachten de economieën naast persoonlijk leed ook veel sociale en economische ellende met zich mee: door de besmettelijkheid en de hoge sterftecijfers konden veel bedrijfjes niet meer draaiende gehouden worden door gebrek aan personeel en bovendien verbood het stadbestuur sociale bijeenkomsten vanwege het risico op verdere verspreiding van de ziekte. Naast de talloze relatief onbekende slachtoffers (kosters hadden hun handen vol aan het begraven van de vele overledenen) bleven ook bekendere Amsterdammers niet gespaard: zo eiste de epidemie van 1663 het leven van Rembrandts minnares Hendrickje Stoffels, een kleinere uitbraak van de ziekte in 1668 velde zijn zoon Titus. Vanaf 1688 zijn er geen ernstige uitbraken van de pest meer in Amsterdam: het is verleidelijk om te denken dat dit samenhangt met het einde van de Gouden Eeuw, maar naar dat verband zou nog nader onderzoek gedaan moeten worden. Wie overigens denkt dat de pest een historische ziekte is, komt bedrogen uit: zelfs in de huidige tijd worden er nog uitbraken gemeld, zoals recent (november 2014) in Madagascar, maar er zijn zelfs nog meldingen uit de USA uit de eenentwintigste eeuw…

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Prent 'De Pest. Zonden is Pest'. Afdruk van een ets, vervarddigd door Jan Luyken in 1708.  Bron: Collectie Amsterdam Museum vai Het geheugen van Nederland. Klik voor een grotere versie op de afbeelding  of klik hier voor de brongegevens. 


Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

O, u bedoelt de Nachtwacht! – Frans Banning Cocq

 

Gespot door:

Petra

 

Toen de ‘ster’ van dit verhaal in 1638 samen met ‘zijn’ mannen model stond, had hij zeker niet kunnen vermoeden dat zijn portret één van de meest bekeken portretten ter wereld zou worden. Frans Banning Cocq was namelijk de aanvoerder van het schuttersvendel dat in dat jaar geportretteerd werd op het schilderij De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren’; wij kennen het schilderij beter onder de achttiende-eeuwse bijnaam: ‘De Nachtwacht’. Frans Banning Cocq (1605-1655) was de zoon van een uit Bremen afkomstige apotheker. Zijn dubbele achternaam   was overigens de samenvoeging van zijn ouders achternamen, Jan Jansz Cock en Lysbeth Frans Banninck; zijn ouders trouwden overigens pas enkele maanden na zijn geboorte. Hoewel zijn komaf op het eerste gezicht misschien redelijk bescheiden lijkt, bedriegt de schijn: zijn beide ouders waren verwant aan het Amsterdamse regentengeslacht Hooft, zijn moeder was de erfegname van de rijke Frans Banningh. De financiële toestand van zijn ouders was in ieder geval toereikend om Frans niet alleen te laten studeren, maar dit tevens te laten doen in het buitenland: in de periode 1625-1627 studeert hij recht in de Franse steden Poitiers en Bourges. De ondertrouwakte vermeldt dan ook als zijn beroep ‘doctor in de beyde rechten’: hij was dus zowel gepromoveerd in het Romeinse recht (het rechtssysteem dat we ook nu nog gebruiken) als in het canonieke (kerkelijke) recht. Als doctor in de rechten is hij echter nooit beroemd geworden, als kapitein van het schuttersvendel van de Kloveniersdoelen, waar hij zich rond 1630 bij aansloot, des te meer. Schuttersvendels waren opgericht  in de middeleeuwen om als een soort ‘burgerwacht’ de stad te verdedigen tegen aanvallen van buitenaf, maar ook tegen oproeren van binnenuit. De kloveniers, zoals de schutterij van Banning genoemd werd, dankten hun naam aan hun strijdwapen: een eenvoudig soort geweer, dat ook wel ‘klover’ genoemd werd en hadden hun hoofdkwartier in de Kloveniersdoelen; delen van de fundering en van het muurwerk van dit gebouw maken nu deel uit het Doelen Hotel in de hoofdstad. Veel schutters waren niet onbemiddeld: tijd besteed aan de schutterij was immers tijd die niet besteed kon worden aan betaalde arbeid. Dat gold ook voor Frans Bannong Cock: na zijn terugkeer naar Amsterdam volgden voorspoedige jaren voor hem: in 1630 huwde hij Maria Overlander, het enige volwassen geworden kind van Volkert Overlander, heer van Purmerland en Ilpendam en één van de grondleggers van de VOC. In hetzelfde jaar overleed zijn schoonvader en volgde Frans hem op als lid van de Amsterdamse vroedschap; tevens erfde hij tegelijkertijd de titel van heer van Purmerland en Ilpendam en slot Ilpenstein. In 1632 trad hij toe tot de Commissarissen van Huwelijkse Zaken; je kunt zijn naam dus ook in de aanhef van vele inschrijvingen terugvinden. In 1651 en 1653 tenslotte werd hij verkozen tot één van de vier Amsterdamse burgemeesteren. Hoewel hij waarschijnlijk ook afgebeeld is op een schilderij van Bartholomeus van der Helst van de overlieden van het handboogschuttersgilde uit 1653 (zijn identiteit op dit schilderij staat niet geheel vast), is zijn afbeelding op de Nachtwacht toch wel het meest bekend. Het schilderij werd rond 1638 als opdracht verstrekt aan Rembrandt, die het rond 1642 als schuttersstuk voor de Kloveniersdoelen afleverde. In 1715 werd het doek, dat inmiddels behoorlijk beroet was geraakt, door het gemeentebestuur naar het toenmalig stadhuis (Paleis op de Dam) verplaatst, waarbij vanwege ruimtegebrek een aantal stroken aan weerszijden van het schilderij werden afgesneden; van 1817 tot 1885 hing het in het Trippenhuis, destijds het eerste onderkomen van het Rijksmuseum. In 1885 verhuisde het doek, dat nog steeds eigendom van de gemeente Amsterdam is, naar het huidige Rijksmuseum. En o ja, de naam Nachtwacht kreeg het schilderij van de Fransen eind achttiende eeuw, die vanwege de donker geworden vernislagen dachten dat het om een nachtelijke patrouille ging; in werkelijkheid is het echter een schilderij dat bij daglicht gemaakt is. Maar laten we wel wezen: De Nachtwacht is toch net iets makkelijker als titel te onthouden dan 'De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren’…

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Frans Banning Cock, zoals afgebeeld op de Nachtwacht, geschilderd door Rembrandt van Rijn, ca. 1642. Fragment.  Bron: Wikimedia Commons. Klik voor een grotere versie op de afbeelding  of klik hier voor de brongegevens. 


Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als gegoten: stadsschutgieter Gerard Koster en Maria Gossi

 

Gespot door:

BMH

 

De befaamdste klokkengieters uit de geschiedenis zijn  ongetwijfeld de gebroeders Hémony geweest. Maar ook andere families hebben hun stempel gedrukt op het gieten van klokken. Eén van de Amsterdamse families die haar brood verdiende met het gieten van zowel luidklokken als geschut (met name kanonnen) was de familie Koster. Gerard Koster senior (de grootvader van de hier behandelde gelijknamige kleinzoon), zelf een afstammeling van het oude Deventer klokkengietersgeslacht Wegewa(e)rt, werd op 27 november 1606 benoemd tot opvolger van de overleden stadsgietmeester Cornelis van Ammeroy. De gieterij, destijds gelegen op de Keizersgracht bij de Leidsegracht, hoek Molenpad, leverde onder grootvader Koster onder meer de luidklok van het oude raadhuis van Balk (Gaasterland; 1615) en de grote klok van de Hervormde Kerk van Westbroek (Utrecht)(1611). Na de dood van Gerard senior in 1618 zette zijn zoon Assuerus Koster het bedrijf (inmiddels verplaatst was naar de Baangracht, de huidige Lijnbaansgracht) voort. Ook van Assuerus zijn diverse klokken tot op de dag van vandaag bewaard gebleven: onder meer de luidklok van de Hervormed Kerk te Oterleek,  één van de klokken in de Hervormde Kerk van Schermerhorn (1635), alsmede de luidklok (1647) op de Erebegraafplaats van Bloemendaal (die voorheen in het raadhuis van Overveen hing) zijn van zijn hand. Zijn meest bekende klok is echter nog dagelijks in Amsterdam te horen: het is de grote bourdon (luidklok) uit 1636 van de Westertoren die de hele uren slaat. In 1661 neemt Gerard junior (vernoemd naar zijn grootvader) de zaak van vader Assuerus over. De klandizie komt dan al ruim een decennium meer van buiten de stad dan vanuit Amsterdam zelf; binnen Amsterdam nam de hegemonie van de gebroeders Hémony binen de klokkengiet-branche vanaf ca. 1651 gestaag toe. Uit de financiële gegevens van  Gerard Junior blijkt overigens dat de klandizie die voor hem overbleef, toch nog ruim voldoende was om goed van te kunnen leven en enig eigen kapitaal op te kunnen bouwen. Van zijn hand zijn onder meer de luidklok (1669) van de Dorpskerk te Aalsmeer en de luidklok (1677) in de kerktoren van de (voor de rest in de negentiende eeuw afgebroken) Sint-Anthoniuskerk in Oud-Leusden, de vermoedelijk oudste nog bestaande kerktoren van Nederland. De grootste opdracht kreeg Gerard junior echter in 1679 van de burgemeesters van Purmerend, die – op aandringen van de Aalsmeerse bevolking – zochten naar een vervanging voor de klokken van de aldaar op 1 oktober 1674 bij een storm verwoeste kerktoren (dit was overigens dezelfde strm die het middenschip van de Utrechtse Domkerk deed instorten). Helaas is dit werk nooit van de grond gekomen, omdat Gerard slechts vier maanden daarna zou overlijden. Hoewel zijn moeder van de Amsterdamse burgemeesters in de gieterij mocht blijven wonen, bleef de productie van de gieterij door zijn overlijden nihil. Na het overlijden van moeder Vreda van Boecholt in 1680 kwam de gieterij uiteindelijk leeg te staan, waarna de burgemeesters besloten om één van de twee gieterijen (respectievelijk de gieterij van Koster en die van de inmiddels ook overleden gebroeders Hémony) op te doeken. Opvallend daarbij is dat de gieterij van Koster weliswaar opgeheven werd, maar dat de overblijvende gieterij van Hémony (nu onder leiding van hun neef Mammes Fremy) zich moest verplaatsen naar het pand van de Kosters: mogelijk heeft de veiliger ligging van de gieterij van Koster (i.v.m. brandgevaar) een rol bij deze beslissing gespeeld.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Gezicht op de Westerkerk, geschilderd door Jan van der Heyden in 1660. In de toren van de Westerkerk bevindt zich sinds 1636, vijf jaar na de ingebruikname van de kerk, een luidklok (bourdon) die de hele uren slaat, gegoten door Assuerus Koster, vader van de hier behandelde Gerard Koster. Bron: Wikimedia Commons. Klik voor een grotere versie op de afbeelding  of klik hier voor de brongegevens. 


Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op hem kon je rekenen: Johan de Witt, raadpensionaris en wiskundige

 

Gespot door:

Annet

 

De dood van stadhouder Willem II, een telg uit het geslacht van Oranje, op 6 november 1650 luidde het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672) voor de Republiek der Zeven Provinciën in en daarmee het begin van de bloeitijd van de carrière van Johan de Witt (Dordrecht 1625-’s-Gravenhage 1672), kind uit een Dordrechts regentengeslacht. Aanvankelijk opgeleid als advocaat (hij vestigde zich in die functie in 1647 te ’s-Gravenhage), zou hij echter veel meer bekendheid krijgen als politicus en daarnaast als bijzonder vaardig wiskundige. In 1650 werd hij benoemd tot raadspensionaris van Dordrecht en in die hoedanigheid woonde hij sindsdien de vergaderingen van de Staten van Holland bij. Aangezien Dordrecht als oudste stad in het Graafschap Holland het voorkeursrecht had bij de voordracht van een nieuwe raadspensionaris werd De Witt in 1653 voorgedragen en benoemd als opvolger van Adriaan de Pauw. Hoewel een raadspensionaris in theorie geen politieke macht droeg (die lag immers bij de Staten van Holland), was de functie in feite de belangrijkste politieke post binnen de Republiek. De functionaris zorgde niet alleen voor de uitvoering van de besluiten van de Staten, maar was ook de vertegenwoordiger van de Republiek tegenover buitenlandse vorsten en mogendheden. Daarbij werd hij sterk gesteund door  de Amsterdamse burgemeester Cornelis de Graeff, die later aangetrouwde familie zou worden: Johans bruid Wendela Bicker, een dochter uit een welvarende en invloedrijke scheepsbouwersfamilie, die al vele Amsterdamse burgemeesters had geleverd (o.a. de huizen en werven op het Bickerseiland waren in hun bezit) was namelijk een oomzegger van burgemeester Cornelis de Graeff! Opvallende aspecten van het bewind van De Witt waren financiële hervormingen op het gebied van rente en zijn strijd tegen de aanhangers van het geslacht Oranje. Op financieel gebied wordt De Witt beschouwd als de grondlegger van de verzekeringswiskunde: als één der eersten paste hij risicoberekening toe voor het vaststellen van de ideale rentevoeten voor lijf- en losrenten. Zijn financiële expertise leidde in ieder geval tot een opvallend herstel van de staatsfinanciën na de financëel rampzalige periode van de Tachtigjarige Oorlog. Ook op militair gebied stond hij overigens zijn mannetje: zo zijn onder andere de benoeming van Michiel De Ruyter en de tocht naar Chatham (de grootste maritieme nederlaag van de Britse vloot) mede door de Witt tot stand gekomen, hetgeen hem overigens in ernstig conflict bracht met de eerder beoogde admiraal Cornelis Tromp. Het verzet van De Witt tegen de Oranjes en zijn pogingen om de benoeming van een Oranje tot nieuwe stadhouder binnen de Republiek tegen te gaan liepen uiteindelijk spaak in 1672, het beruchte Rampjaar. Zowel Johan als zijn broer Cornelis ontsnapten in juni van dat jaar aan een moordaanslag door Orangisten; de hersteltijd van de broers De Witt leverde de aanhangers van Oranje de mogelijkheid om Willem III ook daadwerkelijk tot stadhouder van Holland te laten benoemen. De gebroeders De Witt werden, amper hersteld van de eerdere aanslag, vervolgens beschuldigd van het beramen van een moordaanslag op de nieuwe stadhouder. De hierdoor opgehitste volkswoede kreeg zijn fatale hoogtepunt op 20 augustus 1672, toen de broers door een menigte, aangevoerd door o.a. Cornelis Tromp, uit de gevangenis (waar Cornelis gevangen zat en Johan hem bezocht) werden gehaald en op straat werden vermoord en gelyncht. De weerzin van de Oranje-aanhangers tegen de gebroeders was zelfs zo groot dat alleen hun dood niet genoeg was: de naakte lichamen van de broers werden ondersteboven opgehangen aan de galg en werden ernstig verminkt: het Haags Historisch Museum bezit naar verluidt nog steeds een vinger en een tong van de gebroeders De Witt.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

De gebroeders Johan (links, zittend) en Cornelis (rechts, staand) de Witt. Standbeeld, gemaakt door Toon Dupuis in 1918 en geplaatst bij de Visbrug in Dordrecht, de geboorteplaats van beide broers. Bron: Wikimedia Commons. Klik voor een grotere versie op de afbeelding  of klik hier voor de brongegevens. 


Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een raadselachtig adres ontrafeld

 

Gespot door:

BMH

Petra S.

Quinten

René

 

Bij het invoeren van de ondertrouwinschrijvingen uit het eerste kwart van de zeventiende eeuw dook regelmatig de straatnaam Poppijnspad (in verschillende spellingen) op. Hoewel op het forum diverse suggesties voor een verklaring van deze straatnaam naar voren werden gebracht, kwamen we er aanvankelijk niet uit. Wel wisten we, mede dankzij de berichten van deelnemer Quinten, dat het toevoegsel 'pad' er op leek te wijzen dat het adres buiten de toenmalige stadsmuren moet hebben gelegen. De index op de transportakten van voor 1811 van het Stadsarchief Amsterdam bracht echter uitkomst: het blijkt te gaan om een verbasterde vorm van het Pompejuspad, een pad dat inderdaad destijds buiten de muren van Amsterdam was gelegen. Het pad ontleende zijn naam aan de bankier, koopman, en humanist Pompeius Occo (1465-1537), die diverse bezittingen aan dit pad had liggen en daardoor ook de voornaamste gebruiker van dit pad was. Pompeius Occo stamde af van een oud Oostfries geslacht en stond in zijn tijd niet alleen bekend als een goed bankier (zo was hij in Amsterdam de bankier voor zowel het Aartsbisdom Trondheim als voor de koning van Denemarken). maar wellicht meer nog als een groot begunstiger van de kunsten. Zijn huis aan de Kalverstraat, 'Paradijs' genaamd,  stond bekend als een trefpunt voor kunstenaars en kunstliefhebbers; in 1521 otving hij er de koning van Denemarken zelf te gast. Zijn zoon, Sybrant Pompeiusz, zou later diverse malen tot schepen en burgemeester van Amsterdam gekozen worden. Het Pompejuspad kwam bij de grote stadsuitbreiding die tussen 1613 en 1625 plaatsvond (de zogenaamde Derde Uitleg' binnen de nieuwe stadsomwalling te liggen. Vanaf 1613 vormde het Pompejuspad voortaan de zuidkant van de nieuw gegraven Elandsgracht. In de online publicatie van Theo Bakker, Het ontstaan van de Jordaan (zie onder Meer info) staat op blz. 6 overigens een prachtig detail van een oude kaart waarop de paden buiten de stad staan aangegeven; het Pompejuspad lag naast het Appelmanspad.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Kaart van Amsterdam (1649), vervaardigd door Joan Blaeu (1596-1673). Met een groene streep is hierop de zuidkant van de Elandsgracht aangegeven (N.B.: bij deze kaart ligt het noorden namelijk beneden). Bron: Wikimedia Commons. Klik voor een grotere versie op de afbeelding (vanwege de grootte duurt het even voordat het beeld verschijnt)  of klik hier voor de brongegevens. 


Meer info?

 

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Militair en politicus: jonkheer Jan van den Velden

 

Gespot door:

BMH

 

Jan van den Velden was een man die gedurende zijn leven zowel militair als bestuurlijk een behoorlijke carrière opbouwde. Geboren in 1768, had hij al op 27-jarige leeftijd het bevel over diverse Nederlandse marineschepen, waaronder het linieschip  “Gelderland”. Na de beëindiging van de Franse bezetting maakte hij deel uit van de Municipaliteit (het gemeentelijk bestuursorgaan) van de stad Utrecht, de stad waarvan hij in 1813 tot burgemeester werd benoemd. Na deze functie circa twee jaar vervuld te hebben, werd hij lid van het Hoog Militair Gerechtshof, een functie die hij tot 1851 zou blijven bekleden. De werkzaamheden voor het Militair Gerechtshof lieten kennelijk de ruimte om zowel als militair als als bestuurder verder carrière te maken: in 1822 en 1829 wordt hij vermeld in de functie van schout-bij-nacht, terwijl hij daarnaast in de periode 1836-1842 deel uitmaakt van de Tweede Kamer als vertegenwoordiger van de provincie Utrecht. Als politicus wordt hij als  ultraconservatief beschouwd. Na het afscheid van de Tweede Kamer vervult hij de functie van vice-admiraal. In 1847 wordt hij in de adelstand verheven en krijgt de titel ‘jonkheer’, daarnaast wordt hij geridderd en tevens bedacht met de Orde van het Eikenblad. Zijn tweede vrouw, Johanna Margaretha baronesse Lampsins, behoorde bij haar geboorte al tot de adellijke klasse. Zij was een lid van de familie Lampsins, afstammelingen van de van oorsprong uit Oostende afkomstige lijnbaaneigenaar Jan Lampsins (Oostende, ca. 1570 – Vlissingen 1619; overigens in feite destijds de eerste werkgever in het leven van Michiel Adriaensz de Ruyter). De familie was in 1662 door de Franse koning Louis XIV in de adelstand verheven. De familie had in de zeventiende eeuw een zeer welvarend handelshuis in Vlissingen; het nog steeds bestaande Lampsinshuis aldaar maakt nu deel uit van het museumcomplex van het Zeeuws Maritiem MuZeeum. Aangezien de familie Lampsins in de negentiende eeuw geen mannelijke naamdragers meer had, besloot de oudste zoon uit het huwelijk tussen Jan van den Velden en Johanna Margaretha barones Lampsins te verzoeken zijn moeders naam aan zijn vaders naam toe te voegen, waardoor de dubbele achternaam Lampsins van den Velden ontstond; deze zou echter na twee generaties in 1953 eveneens uitsterven.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Het Lampsinshuis uit 1641 aan de Nieuwendijk te Vlissingen. Dit huis behoorde eertijds toe aan de familie van de tweede echtgenote van Jan van den Velden, de familie familie Lampsins. Tegenwoordig maakt het huis deel uit van het museumcomplex van het Zeeuws Maritiem MuZeeum. Bron: Foto van Stephan Didam, onder Creative Commons licentie op Wikimedia Commons. Klik voor een grotere versie op de afbeelding of klik hier voor de brongegevens. 


Meer info?

 

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Twee fameuze vaders: Wouter Valckenier en Anna Maria Trip

 

Gespot door:

BMH

 

Bij sommige huwelijken zijn de wederzijdse ouders soms nog interessanter dan het bruidspaar zelf. Dat is zeker het geval bij de ondertrouw  (1670) van Anna Maria Trip en Wouter Valckenier. Dit was namelijk  een huwelijk tussen de kinderen van twee van de meest invloedrijke mannen van hun tijd in Amsterdam. Bruid Anna Maria was de dochter van Lodewijk Trip, één van de gebroeders die het Trippenhuis, de huidige zetel van de Koninklijke Academie der Wetenshappen (KNAW), lieten bouwen. Hoewel zij niet tot de gevestigde patriciërsfamilies van Amsterdam behoorden, hadden de gebroeders Trip door wapenhandel en Zweedse mijnbouw een enorm fortuin vergaard. Hun Trippenhuis was daar een afspiegeling van: duidelijk zichtbaar vanaf de bovenste verdieping van het Amsterdamse stadhuis op de Dam en tot op de dag van vandaag het breedste woonhuis aan de Amsterdamse grachten.  Het huwelijk van dochter Anna Maria met Wouter Valckenier zal dan ook voor vader Lodewijk Trip mogelijk een gevoel van erkenning hebben gegeven. Bruidegom Wouter Valckenier kwam namelijk uit een zeer vooraanstaande patriciërsfamilie. Zo was zijn gelijknamige grootvader al vele malen verkozen tot burgemeester van Amsterdam. Het was echter zijn vader, Gillis Valckenier, die rond 1678 naar verluidt de meest invloedrijke man van Amsterdam was en toen al acht (van de in totaal negen) keer tot burgemeester verkozen was.  Daarvoor had Gillis dan ook al een bewogen diplomatiek leven gehad, waarbij hij meestal steun verleende aan diegene van wie hij de meeste wederdiensten verwachtte. In 1660 werd Gillis Valckenier benoemd tot voorzitter van de commissie die moest toezien op de opvoeding van de toen nog jonge prins Willem III. Hoewel hij zich samen met andere prominenten in 1667 achter het Eeuwig Edict (een verklaring waarin gesteld werd dat het stadhouderschap en de hoogste militaire post van kapitein-generaal nooit in één persoon, i.c. de Prins van Oranje verenigd mochten worden), herstelde amper een jaar later het contact tussen Valckenier en de prins-stadhouder zich. Deze goede verstandhouding kwam Valckenier goed van pas in 1672, toen Franse troepen Amsterdam bedreigden. Volgens David van Hoogstraten en Jan Lodewijk Schuer, samenstellers van een groot naslagwerk in 1733, was een vlammend, drie kwartier durend betoog van Valckenier, mede de reden dat de Amsterdamse vroedschapsraad besloot de stad niet over te geven aan de Fransen; naar aanleiding van onderhandelingen tussen Valckenier en de prins-stadhouder werd vervolgens een deel van de vroedschapsraad uit hun functie gezet, waaronder alle politieke tegenstanders van Valckenier. Het is dan ook niet vreemd dat de Engelse ambassadeur Temple over hem beweerde dat ‘[d]e Turkse sultan niet meer gezag uitoefende over de mensen in zijn land, dan Valckenier in Amsterdam, toch liep hij over straat als een gewone winkelier’. Nog steeds herinnert de Amsterdamse Valckenierstraat aan deze illustere bestuurder.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Anna Maria Trip, afgebeeld op een schilderij van Ferdinand Bol uit 1663, waarop haar oudere zuster Margarita Trip, gekleed als Minerva, de Romeinse godin der wijsheid, haar onderwijst. Bron: Collectie Rijksmuseum. Klik voor een grotere versie op de afbeelding of klik hier voor de brongegevens.

 

Meer info?

 

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bouwmeester uit het niets... Daniël Stalpaert en Machtelt Lodders

 

Gespot door:

Annet Verbout-Wamsteeker

 

Vanaf 1648 tot aan zijn dood in 1673 zou Daniël Stalp(a)ert (1615-1673) als eerste officieel benoemde stadsarchitect een behoorlijk stempel op het uiterlijk van Amsterdam drukken. Hoe hij echter in deze functie terecht kwam, is nog steeds een interessante onderzoeksvraag. Geboren als zoon van landschapschilder Pieter Stalpaert en diens tweede echtgenote Maaike Walbergh (haar achternaam werd overigens op vele manieren gespeld), leek Daniël aanvankelijk in de voetsporen van zijn vader te treden: in 1639 wordt hij bij zijn eerste ondertrouw (met Grietje Fransen) als ‘schilder’ vermeld. Voor zover bekend, zijn er echter geen schilderijen van hem bewaard gebleven. Het huwelijk tussen Daniël en Grietje is geen lang leven beschoren: binnen anderhalf jaar na het huwelijk overleden zowel zijn echtgenote als hun enig geboren dochtertje. In 1645 hertrouwt Daniël met de 11 jaar oudere Machtelt Lodder, de  weduwe van een houthandelaar en afkomstig uit een gegoede familie, die in de loop der jaren enige vroedschapsleden heeft mogen leveren. Hoewel de aanstaande bruidegom  ditmaal als beroep makelaar (vermoedelijk in aandelen) opgaf, hield hij zich vermoedelijk vooral bezig houdt met de houthandel van zijn echtgenote. Hoewel Stalpaert voor 1648 niet bekend was als bouwkundige, wordt hij in dat jaar toch benoemd tot de eerste officiële stadsarchitect van Amsterdam; mogelijk hebben de connecties van zijn schoonfamilie met de destijds regerende Amsterdamse burgemeesters daaraan bijgedragen.  Dit valt des te meer op, omdat de stadsarchitect direct 'mega-projecten' onder zijn verantwoording krijgt: zo vond zijn benoeming plaats exact één dag na de eerste-steen-legging van het nieuwe stadhuis (het huidige Paleis op de Dam) plaats en werd Stalpaert dus eindverantwoordelijke voor de feitelijke uitvoering van het plan van architect Jacob van Campen. Ook andere gebouwen die onder zijn leiding gebouwd werden, waren groots, niet alleen wat betreft hun belang voor de stad, maar ook wat betreft hun omvang: voorbeelden zijn ’s Lands Zeemagazijn (tegenwoordig het Scheepvaartmuseum) en het Aalmoezeniersweeshuis (in de negentiende eeuw voorzien van een nieuwe gevel, recentelijk in gebruik als de Rechtbank van Amsterdam aan de Prinsengracht). Daarnaast zijn diverse andere imposante gebouwen deels of geheel aan  hem toegeschreven zijn (in de zeventiende eeuw was het  gebruikelijk de architect anoniem te houden), zoals de Hoogduitse synagoge, de Oosterkerk, en het Karthuizerhof in de huidige Jordaan. Hoewel het onder zijn leiding gebouwde VOC Magazijn in 1822 door overbelasting instortte, bestaan vele van zijn bouweerken tot op de dag van vandaag. Het mooiste voorbeeld daarvan is wel de aan hem toegeschreven houten noodkerk op het Amstelveld, die een tijdelijke oplossing zou moeten bieden voor een later te bouwen stenen Godshuis: de noodkerk, namelijk de Amstelkerk,  is tot op de dag van vandaag nog in gebruik! Naast grote bouwwerken hield Stalpaert zich als stadsarchitect ook bezig met een ander enorm project: de Vierde Uitleg van Amsterdam (1662-1663), een enorme uitbreiding van het Amsterdams grondgebied, dat voorzag in het doortrekken van de reeds aangelegde delen van de grachten naar de oostkant van Amsterdam, alsmede in de aanleg van de Oostelijke Eilanden (Wittenburg, Oostenburg, en Kattenburg) ten behoeve van de scheepswerven van de VOC. Daarmee was Stalpaert grondlegger van de zo bekend geworden Amsterdamse halvemaansvorm en de nog beroemdere grachtengordelstructuur. Ook zijn eigen huis aan de Keizersgracht, door hemzelf ontworpen, was enorm: zeven traveeën breed en drie verdiepingen hoog, en daarmee destijds het grootste woonhuis van Amsterdam. Nog in het begin van de achttiende eeuw werd dit huis gesloopt door de toenmalige eigenaar, die het veel te groot vond. Stalpaert was de eerste stadsarchitect, maar werd niet direct opgevolgd: de functie werd pas na ruim tachtig jaar na zijn overlijden weer in ere hersteld, toen Amsterdam weer genoeg vermogen had om opnieuw grote bouwwerken op te richten. Stalpaert lijkt dus de man geweest te zijn die op het goede moment op de goede plek en met de juiste connecties zat.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Kaart van 1662, ontworpen door Daniël Stalpaert en gedrukt door Nicolaes Visscher, waarop de door Stalpaert voorgestelde Vierde Uitleg duidelijk zichtbaar (in wit) is aangegeven. Linksonder is ook het plan zichtbaar van de nieuw aan te leggen Oostelijke Eilanden Kattenburg, Oostenburg, en Wittenburg. Klik voor een grotere versie op de afbeelding of klik hier voor de brongegevens.


Meer info?

 

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Een huis geketend aan verhalen...

 

Gespot door:

Fiene

 

Aangezien voor de Napoleontische tijd er geen huisnummers bestonden, werd als woonadres meestal alleen een straatnaam vermeld. In sommige gevallen echter werd het adres preciezer aangeduid: dat was onder andere het geval wanneer het woonadres een huis betrof met een eigen naam, vaak weergegeven op een gevelsteen, uithangbord, of met een ander van buitenaf herkenbaar kenmerk. Eén van deze huizen betrof het 'Huis met de gouden ketting' op het huidige adres Keizersgracht 268. Het huis stond al vanaf 1643 bekend onder die naam, die verwees naar een vergulde ketting die aan een ijzeren staak voor de gevel hing, naar alle waarschinlijk het uithangteken van een destijds daar wonende smid. Dat het huis duidelijk herkenbaar was, blijkt ook wel uit het feit dat in notariële akten de ligging van andere huizen beschreven werd met dit huis als referentiepunt (bijv. 'zeven huizen van De Gouden Ketting'). De vergulde ketting aan de voorgevel was daarnaast ook bron van inspiratie voor diverse legenden.  Een van de oudste verhalen draaide om lakenhandelaar Eliseas Haerel die in 1615 het onrustige Aken ontvluchtte en zijn heil zocht in Amsterdam. Nadat hij in 1620 het perceel gekocht had begon hij met de bouw van het huis. Enige tijd later kwamen zijn bezittingen ook aan in Amsterdam en tot zijn grote vreugde was een pak lakens, dat bevestigd was met een ijzeren ketting, na de lange tocht nog intact. Haerel zou uit blijdschap de ketting hebben laten vergulden en aan de gevel hebben doen hangen. Een andere verklaring is dat een koopman na een lange reis terugkeerde met een gouden ketting voor zijn echtgenote. Zijn vrouw zou echter niet tevreden geweest zijn met het geschenk en het uit het raam hebben gegooid; de ketting zou echter zijn blijven hangen aan een spijker. Een derde volksverhaal ging over een dame die het huis bewoonde en op een zekere dag haar gouden ketting miste. Haar dienstmeid zou als verdachte op de pijnbank gelegd zijn, maar haar onschuld hebben volgehouden. Toen achteraf de - inmiddels verbannen -  dienstmeid inderdaad onschuldig bleek te zijn, zou haar vroegere meesteres het gedane leed zoveel mogelijk hebben proberen te verzachten door de gouden ketting aan de gevel op te hangen als herinnering aan deze gebeurtenis. Weer anderen gaven aan dat de naam ontstaan was doordat een ekster een gouden ketting gestolen zou hebben en vervolgens weer hebben laten vallen. Naast de vele verhalen rond de naam van het huis, maakte het huis ook naam als spookhuis: voorbijgangers zouden mysterieuze geluiden die voorbijgangers uit het huis hebben vernomen. Deze spookachtige klanken zouden afkomstig zijn van de geest van de weduwe van directeur-generaal Rauws van de stadgebouwen, die zichzelf in het huis zou hebben opgehangen nadat haar man was omgekomen bij een brand in de Schouwburg op 11 mei 1772. Sinds haar dood zou er ‘s nachts gestommel en voetstappen te horen zijn op de trap. Het spookverhaal van deze wanhopige weduwe werd nieuw leven ingeblazen toen op 11 februari 1998 tijdens restauratiewerkzaamheden het gebouw plots begon te schudden en te trillen en vervolgens instortte. Later bleek dat de oorzaak echter gezocht moest worden bij de verrotte funderingen van het huis. Inmiddels is het pand weer in ere hersteld en is ook de gouden ketting (die  overigens al ruim voor de instorting van de gevel was verdwenen)  weer op zijn oorspronkelijke plaats teruggehangen. De ondertrouwakte die bij dit verhaal geplaats is, is overigens van één van Amsterdams meest succesvolle koopmannen, Etienne Dutilh, waarover later meer.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

De in 2004  aangebrachte vergulde ketting aan de gevel van Keizersgracht 268. Deze versie is een nieuw gemaakte versie van het reeds ver voor de instorting verdwenen originele uithangteken. Het huis was na de instorting van 1998  ten gevolge van verrotte funderingen en constructiefouten  in de oude stijl hersteld. Bron: detail van grotere afbeelding op Wikimedia Commons van Rudolphus, klik hier voor de brongegevens

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bruid met doorzettingsvermogen...

 

Gespot door:

René

 

Uit het krakeelregister bleek al dat niet alle (onder)trouwprocedures over glad ijs gingen, maar soms bieden zelfs de ondertrouwinschrijvingen zelf al een blik in de relationele wereld van onze voorouders. In een akte van 1805 bijvoorbeeld is sprake van een zeer aanhoudende bruid, die uiteindelijk na ruim zeven jaar strijd uiteindelijk haar partner als bruidegom wist vast te leggen. Anna Catharina Homan, de oudste dochter van Jan Herman Homan en Johanna van Straalen werd - althans naar Hollandse maatstaven -  al jong moeder: op 18-jarige leeftijd beviel zij op 27 november 1799 van haar zoon Abraham. De doopinschrijving van Abraham van 8 december van datzelfde jaar lijkt op het eerste gezicht niet bijzonder: deze vermeldt naast de naam en de geboortedatum van de dopeling ook de naam van diens moeder en van zijn vader, Abraham ten Osselaar. Pas uit latere archiefstukken blijkt dat Abraham een buitenechtelijk kind is: de ondertrouwinschrijving van 1805 vermeldt namelijk dat zij nog minderjarig en ongehuwd is. Uit dezelfde inschrijving, die qua inhoud ook nogal afwijkt van de gebruikelijke ondertrouwinschrijvingen uit die tijd, blijkt dat Anna - en mogelijk ook haar ouders - geen vrede hebben met deze situatie en dat Anna al in 1802 een gerechtelijke procedure heeft aangespannen en gewonnen om Abraham tot een huwelijk te verplichten. De beoogde echtgenoot ging in beroep tegen deze uitspraak, maar werd ook in hoger beroep in 1805 verplicht om voor een bepaalde datum te verschijnen om samen met Anna hun ondertrouw in te laten schrijven; indien hij dit niet zou doen, dan riskeerde hij gijzeling en veroordeling in de kosten. Op de betreffende dag, 5 juli 1805, verschijnt echter alleen Anna Catharina, bijgestaan door haar vader Jan Herman Homan. Op haar verzoek vindt toch een aantekening plaats en wordt de naam van Abraham ten Osselaar 'uitgeroepen', om te kijken of 'zijn absentie of presentie blijken' zal. Abraham blijkt absent, hetgeen dan ook wordt vastgelegd in deze inschrijving. Uiteindelijk slaagt Anna toch in haar pogingen, zoals blijkt uit een eveneens bijzondere inschrijving uit 1807 bijzonder: niet Abraham zelf, maar advocaat W.L. Prins, 'bij vonnisse van Schep[ene]n in dato 19 decem[ber] 1806 gecommitteerd tot curator ad illum actum, omme denzelven Ab[raham] ten Osselaar te representeeren en alzo na stijle alhier gebruikelijk, ter voltrekking zijns huwelijks geautoriseerd' verschijnt namens de bruidegom. De aanhoudster wint dus....

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Doopinschrijving van Abraham ten Osselaar junior van 8 december 1799, Oude Kerk, Amsterdam. Opvallend genoeg is er geen enkele aanduiding in de doopakte dat het hier om een buitenechtelijk kind gaat. Bron: Stadsarchief Amsterdam, DTB 34 / 340. Klik op de afbeelding voor een grotere versie

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Een Noors onderonsje met een vader in het gevang...

 

Gespot door:

René

 

Vanaf de tijd van de Reformatie was Holland, en dan met name de havenstad Amsterdam, een welkome bestemming voor veel Noorse immigranten. In de periode 1600-1800 vertrokken een kleine 12.000 Noren (waaronder iets meer dan 4.000 vrouwen) vanuit vooral de Noorse havensteden naar Holland. Een belangrijke rol hierin speelde de bloeiende Hollandse zeevaart; die relatie blijkt ook wel in het verschil tussen de migratiecijfers voor de befaamde welvarende Gouden Eeuw en de cijfers voor de daaropvolgende eeuw: in de achttiende eeuw daalde het aantal Noorse immigranten in Amsterdam tot circa de helft van het aantal in de eeuw daarvoor. De Noren waren daarmee van de Scandinavische immigranten de rijkst vertegenwoordigde groep binnen Amsterdam en vormden een kleine 7 procent van het totale aantal immigranten. Velen vonden emplooi in de scheepvaart en scheepsbouw, waarmee zij in hun stad van herkomst ook al goed bekend waren. Maar uit een uitspraak van een tijdgenoot in 1735 bleek ook dat zij, evenals de groep Duitse immigranten, bereid waren om lastig werk tegen een relatief laag salaris aan ta pakken (Sicking, de Bles, en de Bouvire 2004, p. 47). Ook de beide partners uit deze akte zijn afkomstig uit Noorwegen, destijds nog een deel van het Deense koninkrijk: de bruidegom komt uit 'Bergen in Noorw:', de bruid uit 'Drontheim' [=Trondheim]. Wellicht zijn zij reeds met hun ouders geëmigreerd, aangezien zowel de ouders van de bruidegom, als de vader van de bruid (haar moeder is ten tijde van het huwelijk al overleden) ook in Amsterdam wonen. Gezien de opgegeven adressen zullen hun woonomstandigheden overigens niet optimaal zijn geweest: beiden woonden in de sloppenwijk 'Het Hemelrijk'. Opvallend is de doorhaling van de naam van de vader der bruidegom in de akte. Hoewel de klerk van dienst aanvankelijk de naam van de vader wel vermeld heeft, is deze doorgekrast. De reden hiervoor staat in de linkermarge vermeld: twee getuigen melden te weten dat de vader op dat moment 'in Engeland gevangen is'. De reden voo deze gevangenzetting is niet vermeld, maar zou te maken kunnen hebben met het toen geldende Continentaal Stelsel: een door Napoleon ingestelde handelsblokkade van Engeland; Noorwegen was destijds immers nog steeds een Deens gebied en daarmee bondgenoot van de Fransen tegen de Engelsen. Maar het zou uiteraard ook simpelweg kunnen zijn dat hij op één van zijn reizen zich had misdragen...

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Kaart ven Noorwegen met in zwart de regio's waar de meeste Noorse immigranten in Amsterdam in de periode 1600-1800 vandaan kwamen (Hart, 1976). Kaart Noorwegen: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens; bewerkt door René van Weeren op basis publicatie Sicking, de Bles en des Bouvrie (2004, p. 46).

 

Meer info?

  • Simon Hart, 1976.  Geschrift En Getal. Een Keuze Uit De Demografisch-economisch En Sociaal-historische Studien Op Grond Van Amsterdamse En Zaanse Archivalia, 1600-1800. Dordrecht: Historische Vereniging Holland. Niet online, klik hier voor de bibliotheken die dit boek in hun collectie hebben.
  • E. Sicking, H. de Bles, en E. des Bouvrie, 2004. Dutch light in the "Norwegian night" : maritime relations and migration across the North Sea in early modern times. Hilversum: Verloren. Niet online, klik hier voor de bibliotheken die dit boek in hun collectie hebben.

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Een haastig scheepshuwelijk...

 

Gespot door:

Petra S.

 

De ondertrouw van 'varent man' Pieter Claesz uit het Deense Christiania  en de Amsterdamse Aeltie Jans wordt op 9 december 1690 te Amsterdam ingeschreven. In eerste instantie lijkt er niet meer haast gemaakt te worden dan met andere huwelijken: de drie afkondigingen vinden plaats op de drie achtereenvolgende zondagen na 9 december. De inschrijving vermeldt echter dat op 24 december de commissarissen van huwelijkse zaken 'akte verlenen'; deze aantekening duidt er meestal op dat er buiten Amsterdam getrouwd gaat worden. En dat klopt: het VOC-schip waarop Pieter aangemonsterd is als kok, het fluitschip 'De Handboog', ligt namelijk al op de rede van Texel, klaar voor vertrek naar de Oost (overigens wordt hij in de VOC-registers vermeld als afkomstig uit Straalsont, het huidige Noord-Duitse Stralsund). Het huwelijk vind dan ook op een bijzondere locatie plaats: 'op 't schip genaemt De Hantboogh voor de groote mast' treden Pieter en Aeltie op 28 december in het huwelijk, zo meldt Albertus Bor, boekhouder van 'De Hantboogh'. Dat is overigens geen dag te vroeg: daags na het huwelijk vertrekt het schip naar de Oost, om (met een tussenstop van twee weken bij Kaap De Goede Hoop) op 26 juli 1691 te Batavia aan te komen. Helaas zal bruid Aeltie haar kersverse echtgenoot niet weerzien, aangezien hij op 17 december 1691 in Azië overlijdt. De oorzaak van zijn overlijden is niet vermeld, maar is in ieder geval niet het gevolg van een scheepsramp: De Handboog blijkt een solide schip dat uiteindelijk ruim 18 jaar dienst zal doen en dat na vier succesvolle retourvaarten naar de Oost en diverse reizen in Azië uiteindelijk in 1706 door de VOC wordt afgeschreven.

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Afbeelding van een fluitschip uit de tweede helft van de zeventiende eeuw, getekend door Wenceslaus Hollar (1607-1677) Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens. Klik op de afbeelding voor een grotere weergave.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Geen beroep, wel huidskleur vermeld

 

Gespot door:

Petra S.

 

De ondertrouw van Christoffel Dio en Anna Catrina Christoui in 1655 is in meer dan één opzicht opvallend te noemen. Het zijn niet eens zozeer hun wat afwijkende achternamen: het  zeventiende-eeuwse Amsterdam kent als migratie-, handels-, en havenstad, maar ook als toevluchtsoord voor bijvoorbeeld Portugese Joden vele buitenlandse achternamen. Des te opvallender zijn hun herkomstplaatsen: de bruidegom komt uit Goa (aan de westkust van India), de bruid uit Angola. Hoewel beide locaties  (zelfs tot in de twintigste eeuw)Portugese kolonies waren , blijken hun herkomstplaatsen bij nader onderzoek toch goed verklaarbaar.  Goa, de belangrijkste Portugese handelsstad(zoals Batavia dat was voor de Hollanders) bleek voor de Hollanders een letterlijk onneembare vesting. Desondanks hadden de Hollanders wel kans gezien om aan de Indiase westkust diverse handelsposten en versterkingen op te bouwen, o.a. in het 50 kilometer noordelijk van Goa gelegen Winguria (nu: Venguria). Vanuit hier probeerde de VOC vanaf 1637 Portugese handelskonvooien te hinderen uit te varen. Ook Angola was toneel van strijd tussen de Portugezen en de Hollandse West-Indische Compagnie (WIC). De WIC slaagde er vooral tussen 1640 en 1650 in de Angolese westkust onder controle te houden en daarmee (door het verhinderen van slaventransporten) de Portugese kolonie Brazilië te ontregelen. Hoewel het koppel in theorie van de eerste kolonisten zouden kunnen afstammen, is het gezien hun leeftijd (die wijst op een geboortedatum vóór de Hollandse kolonisatie) eerder te verwachten dat zij oorspronkelijke inwoners van de regio of gevluchte Portugezen waren. Dat vermoeden wordt nog eens versterkt door het opvallendste element van deze akte: van de bruidegom wordt geen beroep vermeld, maar wel dat hij 'swart' is. Overigens blijkt een dergelijke vermelding vaker voor te komen: Harmen Snel maakt in zijn artikel over migratie in Amsterdam ook melding van een akte uit 1663, waarin van de bruidegom 'swart' is; opvallend genoeg komt ook zijn bruid 'van Angola'...

 

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Afbeelding van Goa, zoals de Hollanders dit moeten hebben aangetroffen. De afbeelding is een detail van een kaart met verschillende stadsgezichten uit een atlas, gepubliceerd tussen 1572-1624. De Latijnse tekst die boven het stadsgezicht staat, luidt vertaald: 'Goa, de sterkste stad van India, kwam in het Heilsjaar 1509 in de macht der Christenen'. Bron: website Sanderus Antiquariaat, klik hier voor de brongegevens. Klik op de afbeelding voor een grotere weergave.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Burgemeester huwt kleindochter landsadvocaat: Johan Cardon en Petronella Buys

 

Gespot door:

Eric Cardon

 

Johan Cardon was een zoon van Daniël Cardon (Valenciennes 1567 - Vlissingen 1618) , een Franse Hugenoot. Vader Daniël vestigde zich in 1598 als poorter binnen de stadsmuren van Vlissingen. Uit zijn huwelijk met Janneke Verron werd rond 1603 zoon Johan geboren. Na een opleiding tot jurist  werd Johan in 1641 tot burgemeester van Vlissingen gekozen, een functie die hij tot 1654 zou bekleden. Vanaf 1647 was hij bovendien bewindhebber van de VOC, 'Kamer Middelburg'. Op 21 december 1645  ging de Vlissingse burgemeester te Amsterdam in ondertrouw met zijn aldaar aan de Keizersgracht wonende verloofde Petronella Buys, kleindochter van de 'Landsadvocaat van de Prins' Paulus Buys; het kerkelijk huwelijk zou later te Vlissingen plaatsvinden. Petronella  was de weduwe van Philips Lucas, een man van aanzien in de VOC organisatie, met wie zij op 4 augustus 1634 in Amsterdam in ondertrouw ging. Kort daarna, op 2 mei 1635, vertrokken Philips en Petronella naar Nederlands-Indië, waar ze op 20 september van het zelfde jaar aankwamen op  Batavia. Bijna zes jaar later, op 5 maart 1641, stierf Philips Lucas aan boord van het schip 'De Zandvoort' tijdens een expeditie naar Ceylon. Philips en Petronella zijn beiden geportretteerd door niemand minder dan Rembrandt van Rijn. Petronella Buys en haar zusjes Geertruijd en  Maria Odilia maakten eerder (op 25 januari 1629) op jonge leeftijd ook al een reis naar Indië aan boord van het schip 'Hollandia', samen met Jacques Specx, de echtgenoot van Maria Odilia. Specx beklaagde zich over de vele buitenlanders en 'wilde vrouwen' aan boord. Na herstel van enige averij (door harde wind en stroming voeren twee schepen elkaar aan) zette een vloot van acht schepen waaronder de 'Hollandia', op 17 februari koers vanaf de rede van Duins naar Indië. Toen Specx op 21 september 1629 Batavia bereikte, was zijn voorganger Jan Pietersz. Coen  de dag daarvoor overleden aan buikloop, na slechts een dag ziek te zijn geweest; Coen's echtgenote was vijf dagen daarvoor nog bevallen van een kind. Specx regelde Coen's begrafenis vanuit het stadhuis, op 23 september, in de door sultan Mataram II belegerde stad. Daarnaast kreeg Specx te maken met familieproblemen: tijdens zijn afwezigheid was zijn buitenechtelijke dochter Saartje in opspraak geraakt en zwaar gestraft, waardoor een conflict ontstond tussen Specx en de rechters die de straf hadden uitgesproken. De familie Buys is overigens indirect gerelateerd aan Michiel Adriaensz de Ruyter: Geertruijd Buys, de zus van Petronella, huwde met Cornelis Somer, weduwnaar van Elisabeth Kien. Uit dit eerdere huwelijk had Cornelis Zoon reeds een zoon, Bernardus, die later trouwde met Margareta de Ruyter, de dochter  van Admiraal Michiel Adriaanszn. de Ruyter, die dan ook samen met zijn echtgenote als getuigen bij de ondertrouw optraden.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Portret van Petronella Buys, geschilderdt door Rembrandt  van Rijn in 1635.  Bron: WikiArt, klik hier voor de brongegevens.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Staatshoofd zonder troon: raadspensionaris Simon van Slingelandt

 

Gespot door:

René

 

Het kinderloos overlijden van stadhouder Willem III in 1702 luidde het tweede stadhouderloze tijdperk (1702-1747) in: de Staten van Holland en Zeeland besloten geen opvolger voor het (in 1674 erfelijk verklaarde) stahouderschap van deze gewesten aan te stellen. Daarmee hadden de gewesten formeel geen vertegenwoordigend staatshoofd meer. In de praktijk werd deze functie echter vervuld door de raadspensionaris. In 1720 werd Simon van Slingelandt (Dordrecht 1664 - 's-Gravenhage 1736), een achterneef van de gebroeders De Witt, nog gepasseerd voor de post van raadspensionaris, naar verluidt vanwege zijn poltieke hervormingsplannen: hij stelde voor om de Raad van State uit te bouwen tot het centrale regeringsorgaan om het generaliteitsgezag te vergroten en de autonomie van steden en gewesten in te perken. Hij was op dat moment (rond 1715) zelf al bijna een kwart eeuw in secretaris van diezelfde Raad van State, een functie waarin hij in 1690 op 26-jarige leeftijd was benoemd en die hij tot 1725 zou vervullen. Vanaf 1725 tot en met 1727 was hij als thesaurier-generaal van de Republiek verantwoordelijk voor de 'schatkist' van de verenigde gewesten, een logisch gevolg van zijn activiteiten tussen 1715 en 1720, waarin hij samen met een aantal andere leden van de Raad van State een verder oplopen van de staatsschulden en een bankroet van de Republiek had afgewend. In 1727 werd hij alsnog tot raadspensionaris van het gewest Holland benoemd, in feite de machtigste positie op dat moment binnen de Republiek. Zowel zijn geschriften als zijn handelen wijzen uit dat hij rust en vrede in zowel binnen- als buitenland als essentiële voorwaarden zag voor het goed functioneren van de Republiek. Zo was hij actief betrokken bij de vredesonderhandelingen tussen Groot-Brittannië en Oostenrijk in 1731 en tussen Oostenrijk en Frankrijk in 1736; bovendien hield hij intensief en goed contact met befaamde Engelse politici zoals Chesterfield en Walpole. Naast zijn staatkundige activiteiten hield van Slingelandt zich ook bezig met de relatie tussen kerk, staat, en individu. Daarbij nam hij een uitgesproken genuanceerd standpunt in: aan de ene kant diende de staat geen zeggenschap te hebben over zaken die enkel het geloof aangaan, aan de andere kant dienden publieke (bestuurs)functies open te staan voor een ieder, ongeacht diens geloofovertuiging. Daarnaast stelde hij zich op het punt dat geloofsgemeenschappen wel zelf regels konden opstellen en implementeren voor de aan die gemeenschappen verbonden leden, maar dat individuen tegelijkertijd het recht hadden om zich aan een geloofsgemeenschap te onttrekken an daarmee dus ook aan het regime van de betreffende geloofsgemeenschap. Zijn standpunt keerde zich dan ook duidelijk tegen de destijds zeer sterke verwevenheid tussen de gereformeerde kerk en de Republiek. Een uitgebreide verhandeling over zijn standpunten over de verhouding tussen kerk, staat, en individu vind u in het artikel van Joris van Eijnatten (zie hiernaast). De ondertrouwinschrijving is van zijn eerste huwelijk, in 1690, met Suzanna de Wildt (1666-1722), dochter van Job de Wildt, secretaris van het College ter Admiraliteit te Amsterdam. Zijn tweede huwelijk in 1726 deed enig stof opwaaien, aangezien hij trouwde met zijn huishoudster Johanna Margaretha van Coesvelt; vermoedelijk is het feit dat zij hem verzorgde (hij leed aan jicht) aanleiding voor hem geweest haar te huwen. Financieel leverde het haar relatief weinig op, aangezien hij zijn bezit na zijn overlijden naliet aan de gereformeerde kerk. Zijn oon Gover van Slingelandt zou later ontvanger-generaal over Holland en West-Friesland en tevens drossaard van de stad en baronie van Breda worden.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Portret van Simon van Slingelandt. Prent van Jacob Houbraken, vervaardigd naar een tekening van Aert Schouman, die deze op zijn beurt baseerde op een schilderij van Philip van Dijk. De prent werd uitgegeven door de bekende Amsterdamse uitgever van drukwerk Isaak Tirion. Bron: Collectie Rijksmuseum, klik hier voor een grotere versie en de brongegevens.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Twee gegoede telgen: Jan Trip de Jonge en Petronella Willemina van Hoorn

 

Gespot door:

Fiene

 

Op 19 april 1715 traden Jan Trip de Jonge en Petronella Willemina van Hoorn in ondertrouw te Amsterdam. Jan Trip was een telg van de Amsterdamse patriciërsfamilie Trip en zoon van Jan Trip, heer van Berkenrode, en zijn eerste vrouw Margareta Cecilia Nijs. Zijn vader was vijftien keer benoemd tot  burgemeester van Amsterdam en was daarnaast directeur van de Surinaamse sociëteit. Op zeventienjarige leeftijd werd Jan Trip de Jonge door zijn vader benoemd tot secretaris, en in 1720 tevens tot bewindhebber der West-Indische Compagnie. Bruid Petronella was echter ook van goede komaf: haar vader, Joan van Hoorn, werd in 1662 benoemd tot raad-extra ordinair van Indië en vertrok hiervoor naar Batavia. In 1666 reisde hij af als gezant naar China waar hij ontvangen werd in het paleis van de keizer. Uit het tweede huwelijk van Joan van Hoorn (met Suzanna Agnieta van Outhoorn) werd in 1698 te Batavia dochter Petronellageboren. Vanaf 1704 was haar vader gouverneur-generaal der Nederlandse bezittingen en volgde daarbij zijn schoonvader op. Na zijn eervol ontslag in 1708 moest hij verplicht Indië verlaten en voer met zijn inmiddels derde vrouw, zijn Chinese lijfarts, en dochter Petronella richting Amsterdam. Onderweg werd Joan ernstig ziek; hij bezweek in 1711. Hierbij liet hij een flink vermogen na aan zijn enige dochter Petronella. Jan Trip de Jonge kocht in 1715, het jaar van zijn huwelijk met Petronella van Hoornde hofstede Woestduin voor 16.000 gulden, om deze twee jaar later voor 20.000 gulden weer te verkopen nadat hij het landgoed Beeckestijn in Velsen had gekocht van zijn vader. Deze had Beeckestijn enkele jaren eerder gekocht van Joan Corver. Jan Trip de Jonge kocht het landgoed voor het kapitale bedrag van 31.000 gulden maar verwierf hierbij ook de bijbehorende landerijen, enige boerenwoningen, en de haven. Hij had daarnaast ook het recht om een schipper aan te stellen die voer tussen Velsen en Amsterdam. In de jaren dat het echtpaar Trip-van Hoorn woonde te Beeckestijn werd het huis en het park ingrijpend veranderd. In het jaar 1721 stierf Jan Trip op dertigjarige leeftijd; hij werd begraven in de kerk van Velsen. Petronella hertrouwde in 1722, ditmaal met Lubbert Adoph Torck, heer van Rozendaal. Uit het huwelijk tussen Jan Trip de Jonge en Petronella van Hoorn werd één kind geboren: Jan Willem Trip, op 22-jarige leeftijd kinderloos overleden in Engeland.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Vooraanzicht van het huis Beeckestijn, in de 17e eeuw eigendom van verschillende leden van het geslacht Trip.  Bron: Foto van S. v.d. Velden op Wikimedia Commons;  klik op de afbeelding voor een grotere versie of klik hier voor de brongegevens.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Suikerhandelaar en bankier: Jan Berend Bicker en Johanna Sara Pels

 

Gespot door:

René

 

De nauwe betrekkingen tussen de families Alewijn en Bicker (zie ook de ondertrouw tussen Frederick Alewijn en Eva Bicker hieronder) is 0ok terug te vinden in de ondertrouwakte van Jan Bernd Bicker en Johanna Sara Pels uit 1720. Degene die de taak van commissaris van huwelijkse zaken bij de inschrijving op zich neemt is namelijk niemand anders dan Frederik Alewijn! Hoewel minder bekend geworden dan zijn naamgenoot en kleinzoon Jan Bernd Bicker (1746-1812, patriots politicus, bewindhebber van de West-Indische Compagnie, Staatsbewind van de Bataafse Republiek, en twee weken voorzitter van de Nationale Vereeniging, gehuwd met burgemeestersdochter Catharina Six), was ook Jan Berend senior een welvarende Amsterdammer. Als koopman was hij lid van de bankfirma Andries Pels en Zoonen (eigendom van zijn schoonvader en in die tijd de belangrijkste handelsbank van Europa) en bezat hij een suikerplantage in Suriname. Dat dat hem geen wineieren legde, blijkt wel uit het huis dat hij kocht aan  aan de Herengracht 527. Naast zijn werk als bankier vervulde hij ook diverse bestuurstaken: zo werd hij in 1724 benoemd tot commissaris en in 1739 tot schepen van Amsterdam; bovendien was hij drossaert van Muiden, baljuw van het Gooi, en schout van Weesp en Weesperkarspel (het huidige Driemond).

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Herengracht 527 (links) en 529 te Amsterdam. Detail uit het Grachtenboek uit 1770 van  Caspar Philips.  Bron: Wikimedia Commons;  klik op de afbeelding voor een grotere versie of klik hier voor de brongegevens.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Tussen Amsterdam en De Beemster: Frederick Alewijn, regent, schepen, en hoofdingeland en Eva Bicker

 

Gespot door:

BMH

 

Een mooi voorbeeld van de nauwe betrekkingen tussen sommige Amsterdamse regentenfamilies vinden we bij Frederick Alewijn (Amsterdam 1603-1665). Hij werd geboren als zoon van de lakenkoopman Dirck Alewijn (Amsterdam 1571-1637). Vader Dirck was naast lakenkooopman ook grootgrondbezitter in De Beemster en verwierf daardoor de functie van hoofdingeland van De Beemster, een belangrijke functie binnen het waterschap. Ook Frederick zou deze functie vervullen: hij was immers eigenaar van het buitenhuis Vredenburgh in De Beemster (dit buiten is overigens al in de negentiende eeuw gesloopt), ontworpen door de beroemde architect Philip Vingbooms, ontwerper van vele voorname Amsterdamse grachtenhuizen (o.a. de huizen waarin nu het Allard Pierson museum zich bevindt zijn van zijn hand). In 1657 trad hij toe tot de Amsterdamse vroedschap, in 1658 en 1660 werd hij tevens benoemd tot schepen. In 1637 huwde hij eerst Agatha Geelvinck (Amsterdam 1617-1637), uit het regentengeslacht waaruit later ook de schatrijke Anna Elisabeth Geelvinck zou voortkomen; dit huwelijk duurde echter slechts vijf maanden door de vroegtijdige dood van Agatha. In 1640 hertrouwde hij, ditmaal met een dochter uit het bekende burgemeestersgeslacht Bicker: de toen 31-jarige Eva Bicker (Amsterdam 1609-1665). Zij was ook al redelijk jong weduwe geworden van Dirk de Graeff, broer van één der andere burgemeesters van Amsterdam. Zoon Dirck Alewijn (1644-1687) trouwde op zijn beurt in 1667 met zijn achternicht Agatha Bicker (1647-1716), eveneens een dochter uit het burgemeestersgeslacht Bicker. 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Portret van Eva Bicker door Nicolaes Eliasz Pickenoy geschilderd tussen 1625 en 1649. Bron: Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, klik op de afbeelding of op deze link voor een grotere versie en de brongegevens.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Lid van de vroedschap: Gerard II Bicker van Swieten

 

Gespot door:

Josje

 

Sommige leden van het befaamde Amsterdamse geslacht Bicker mochten zich tooien met de titel Heer van Swieten. Dat gegeven vormde voor Gerard I Bicker in 1660 de aanleiding om zijn achternaam uit te breiden tot Bicker van Swieten. Deze achternaam was dus ook van toepassing op zijn zoon, Gerard II Bicker van Swieten (Amsterdam 1687-Den Haag 1753), van wie we hier de ondertrouwinschrijving van zijn derde en laatste huwelijk aantreffen. Hoewel niet zo puissant rijk als sommigen van zijn tijdgenoten, was ook Gerard II, die tevens de adellijke titels Vrijbaanderheer van de Baronnie en Hooge Heerlijkheid van Kessel en Heer van Hei- en Boeicop mocht voeren, zeker niet onbemiddeld: volgens de Personele Quotisatie (in feite een vaststelling van de welvaart van de inwoners ten behove van de belastingheffing) bezat hij op dat moment naast het Huis te Swieten (bij Leiderdorp)  ook een grachtenhuis, 1 trekjacht, 1 koets, 4 paarden, en had hij 5 dienstboden in dienst. Zijn jaarinkomen werd in diezelfde quotisatie geschat op 32.000 gulden, terwijl zijn totale kapitaal blijkens de erfenis die zijn weduwe Sophia Arnoldina Kien ontving, in 1753 372.600 gulden bedroeg. Opvallend is overigens het leeftijdsverschil tussen Gerard en zijn derde bruid:  terwijl zijn respectievelijke eerste (Eva de Wildt (Amsterdam 1691-1709)) en tweede vrouw Maria Trip (telg uit het befaamde geslacht Trip (Amsterdam 1690-1732)) slechts 2 en 3 jaar jonger waren dan Gerard II, was Sophia Arnoldina Kien liefst 36 jaar jonger. De jonge weduwe zou overigens in 1758 hertrouwen met wwn bruidegom die vrijwel even oud was als zijzelf: George Louis Baron von Sporken (1722-?).

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Portret van Gerard II Bicker van Swieten, Vrijbaanderheer van de Baronnie en Hooge Heerlijkheid van Kessel en Heer van Hei- en Boeicop, in het eerste kwart van de achttiende eeuw geschilder door Arnold Boonen. Bron: Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, klik op de afbeelding of op deze link voor een grotere versie en de brongegevens.

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

(Groot)ouders van een artistieke zoon en kleinzoon: vader en zoon Rie(c)ke, landschapschilder en stadstekenaar

 

Gespot door:

Ans

 

Diegenen, die wel eens prenten van het Amsterdam uit de tweede helft van de negentiende eeuw hebben bekeken, zullen misschien de naam Rieke wel eens langs hebben zien komen. Vader Johan George Lodewijk Rie(c)ke (Den Haag 1817-Amsterdam 1898) deed al vroeg van zijn artistieke ambities blijken: al op elfjarige leeftijd werd hij toegelaten tot de Koninklijke Akademie der Beeldende Kunsten te Amsterdam. Hoewel zijn naam niet de bekendheid van de 'grote schilders' uit zijn tijd genoot, bleken zijn prestaties toch verdienstelijk en leverden hem naast de nodige ereplaatsen in kunstwedstrijden ook een koninklijke gratificatie op. Zijn voorkeur lag duidelijk bij het schilderen van de natuur, zowel landschappen als dieren. Later zou hij zich ook meer en meer gaan toeleggen op het tekenen en schilderen van de stedelijke omgeving en bekwaamde hij zich vooral in de steendrukkunst. Wellicht was zijn artistieke aanleg erfelijk: ook zijn zoon Johan Martinus Anton Rieke (Amsterdam 1851-1899; de enige van drie kinderen die niet jong overleed) trad al op 16-jarige leeftijd tot de Koninklijke Akademie der Beeldende Kunsten toe, overigemns onder het leraarschap van zijn eigen vader. Met name Rieke junior genoot en geniet enige bekendheid als tekenaar van Amsterdamse stadsgezichten, die een goed beeld geven van de veranderingen binnen laat-negentiende-eeuws Amsterdam. De ondertrouwakte betreft overigens niet de vader, noch de zoon, maar hun (groot)ouders Hendrik Lodewijk Rieke en Antje Riesebos.

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Tekening van de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam in 1884, getekend door zoon Johan Martinus Anthon Rieke. Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Michiel Adriaensz de Ruyter als huwelijksgetuige

 

Gespot door:

swift

 

Ditmaal een akte waarbij de getuige bekender is dan de aanstaande bruid en bruidegom. Op 29 mei 1675 laten Joris Andringa, kapitein van het College ter Admiraliteit te Amsterdam en de uit Vlissingen afkomstige Margrieta de Gelder hun ondertrouw in Amsterdam inschrijven. Maar het meest opvallend in deze akte zijn de getuigen: voor de bruidegom is dat 'd[e] h[ee]r Michiel Adrianse De Ruyter, luitenant, ad[miraal], etc.', terwijl de bruid wordt 'geadsisteerd' door 'Mevrou De Ruyter', haar moeie (tante). Hoewel Michiel De Ruyter vooral bekendheid kreeg als admiraal, heeft hij niet continu als maritieme strijder gewerkt. Na een eerste periode bij de marine, waarbij hij als elfjarige jongen voor het eerst aanmonsterde, heeft hij enkele jaren gewerkt voor het handelshuis Lampsins en was o.a. handelsagent voor dit huis in Dublin (Ierland). Na een korte periode op de walvisvaart legde hij zich vervolgens toe op de kaapvaart: het kapen van schepen om losgeld voor schip, lading, en bemanning te vragen was destijds een veel gebruikte manier om (met name in periodes van internationale conflicten) extra inkomsten te verwerven en werd ook door vele landen als legitiem middel gezin om dit te bereiken. Na vervolgens enige jaren handelsreizen voor eigen rekening te hebben uitgevoerd, trad hij in 1652 opnieuw, en ditmaal definitief, in dienst bij de marine. In de daaropvolgende kwart eeuw zou hij zijn grootste faam verwerven in zeeslagen tegen de Engelsen en de Fransen, o.a. met de gedurfde Tocht naar Chatham in 1667. Met name de introductie van nieuwe technieken, zoals het formatievaren en het gebruik van seinvlaggen, bezorgden hem naast de nodige overwinning ook grote roem: zijn uitzonderlijke positie werd bevestigd door zijn benoeming tot luitenant-admiraal-generaal in 1673. Zijn optreden als getuige bij het huwelijk van zijn secretaris Joris Andringa is des te meer bijzonder, gezien het feit dat hij het jaar daarop zou overlijden: wondinfectie ten gevolge van amputaties na de Slag bij Agosta tegen de Franse vloot zou hem op 29 april 1676 fataal worden. Zijn gebalsemde lichaam werd teruggebracht naar Nederland en rust na een staatsbegrafenis sindsdien  onder een praalgraf in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Zijn (derde) vrouw, in de akte vermeld als 'Mevrou De Ruyter', is Anna van Gelder (1614-1687), met wie hij in 1652 in het huwelijk trad. Zij was niet alleen getuige van de bruid, maar tevens haar tante ('moeie').

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Gedenkprent van Michiel Adriaensz De Ruyter ter gelegenheid van zijn overwinningen in zeeslagen in 1673, gemaakt door Hendrik Bary naar een schilderij van Ferdinand Bol; onder de prent een lofdicht van Gerard Brandt. Zo zal hij er dus ongeveer ook uitgezien hebben toen hij als getuige optrad bij de ondertrouw van Joris Andringa en Margrieta de Gelder in 1675. Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Anna Elisabeth Geelvinck, regentendochter en miljonaire

 

Gespot door:

Fiene

 

Anna Elisabeth Geelvinck (1702-1757) werd geboren als dochter van burgemeester Lieve Geelvinck en zijn vrouw Agatha Theodora van Bambeeck.  Beide ouders kwamen uit families die een belangrijke rol speelden in het stadsbestuur van Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuw; moeder Agatha Theodora van Bambeeck was een nicht van Margaretha van Bambeeck, de eerste echtgenote van Joan Corver, zus Agatha Levina huwde Dirck Trip uit het befaamde gelijknamige geslacht. In het jaar 1725 trouwde Anna Elisabeth Geelvinck zelf met Nicolaas Pancras (1696-1739) die, met behulp van familieconnecties met de burgemeester Joan Corver, het postmeesterschap van Hamburg had gekregen. Opvallend: in de ondertrouwakte is aangegeven dat beide 22 jaar oud waren terwijl het bruidspaar acht jaar in leeftijd scheelde.  Ter gelegenheid van hun huwelijk werd een bundel bruiloftszangen uitgegeven door Rudolph en Gerard Wetstein.  Hierin wordt niet alleen de schoonheid van Anna Elisabeth geprezen, maar ook de hoop op nageslacht uitgesproken; het huwelijk zal echter kinderloos blijven. Het echtpaar betrekt een pand in de 'Gouden Bocht' van de Herengracht, daarnaast schenkt haar vader enkele jaren later haar de hofstede Scheybeek, gelegen onder Beverwijk. In het jaar 1739 sterft Nicolaas Pancras na een huwelijk van veertien jaar; hij laat zijn weduwe een vermogen na van 236.000 gulden. Anna Elisabeth Geelvinck blijft niet lang alleen en hertrouwt in december 1740 met de rijke koopman Jean Lucas Pels. Dit huwelijk duurt echter zeer kort: na een maand overlijdt hij in januari 1741 op 63-jarige leeftijd  ‘aan een slaapziekte en een pleuris in de borst’. Ook Jean Lucas Pels liet een flink vermogen na, waarbij Anna Elisabeth ook het grachtenpand met huisraad, juwelen en het zilverwerk erfde. De laatste jaren van haar leven gebruikte Anna Elisabeth haar vermogen voor liefdadigheid. Zo schonk ze een orgel, van de orgelbouwer Christian Müller,  aan de Grote kerk in Beverwijk. Ook schonk ze een bedrag van 10.000 gulden aan de Corvershof waar een opschrift aan de westgevel van de binnenplaats nog altijd getuigt.  Haar totale nalatenschap bedroeg destijds ruim 1,1 miljoen gulden.

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Portret van (vlnr) Agatha Levina, Joan, en Anna Elisabeth Geelvinck, rond 1705 geportretteerd door de schilder Anton Boonen.  Bron: Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, klik hier voor de brongegevens

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

George Clifford, bankier en Hester Hooft, burgemeestersdochter

 

Gespot door:

Ans

 

Wellicht één van de rijkste koppels uit de vroegmoderne Amsterdamse geschiedenis was het echtpaar Clifford-Hooft, getrouwd in 1765. George Clifford (1743-1776) was afkomstig uit een van oorsprong Engelse familie, die vanaf het midden van de zeventiende eeuw een bloeiend bankbedrijf (George Clifford en Zoonen) in Amsterdam bezat. Het bedrijf deed zeer goede zaken en kon zelfs prat gaan op leningen aan Keizer Karel VI van het Heilige Roomse Rijk en Koning August II van Polen. Hun vooraanstaande positie uitte zich ook in de keuze van hun huwelijkspartners, die allen van adelijke of tenminste zeer gegoede komaf waren. Bruid Hester Hooft  (1748-1795) was daar zeker geen uitzondering op. Zij was de enige levende nakomeling van de vooraanstaande regent, bankier, handelaar, en (vanaf 1769) burgemeester Hendrik Daniëlsz Hooft. Niet alleen haar afkomst en welstand maakte haar voor velen een interessante huwelijkskandidaat: haar uiterlijk, maar meer nog haar zlefverzekerdheid deden zelf iemand als Casanova (in 1759 te gast bij de familie Hooft) versteld staan. Toen Casanova tot zijn verbazing zag dat de toen 11-jarige Hester zonder chaperonne met hem naar de schouwburg mocht, zou zij hem geantwoord hebben dat vrouwen in Holland 'geleerd zou worden om zelfstandig te zijn'. Hij vermeldt verder in zijn dagboek dat, toen hij haar ten afscheid een handkus wilde geven, zij antwoordde: 'Waarom slechts mijn hand?' en hem een zedige kus op de mond gaf 'die mij recht naar het hart ging', aldus de befaamde vrouwenveroveraar. Casanova heeft daarna het nodige minnekozen met Hester (in zijn memoires vermeld als Esther, dochter van de heer d'O genoemd). Toch was het niet Casanova, maar de bankierszoon George Clifford met wie zij in 1765 trouwde en twee dochters kreeg. Na diens overlijden in 1776 bleef zij vijf jaar weduwe, ondanks diverse aanzoeken van aanzienlijke heren. Het was uiteindelijk admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen, de latere geclaimde overwinnaar van de gelijknamige zeeslag tegen de Engelsen in 1781, die, na een vergeefs eerder aanzoek in 1776, uiteindelijk haar zijn vrouw mocht noemen. Dit tweede huwelijk bleef overigens kinderloos.

 

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Portret van Hester Hooft, geschilderd in 1765 door Jean Humbert. Het portret is een zgn. pendant (deel van een set van twee bij elkaar horende schilderijen) van een portret van haar echtgenoot George Clifford uit 1762.  Bron: Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, klik hier voor de brongegevens

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bonaventura Coegelen van Dortmont, arts en Maria Elisabeth Blaeu, dochter van Joan Willemsz Blaeu

 

Gespot door:

BMH

 

Op 28 september 1660 gaan twee telgen uit de Amsterdamse elite met elkaar in ondertrouw: Bonaventura Coegelen van Dortmont (Vianen 1633-Amsterdam 1710) en Maria Elisabeth Blaeu (Amsterdam 1643-1666), dochter van de vermaarde kaartenmaker, uitgever, en drukker (maar tevens lid van de Amsterdamse vroedschap) Joannes Willemsz Blaeu. De uit Vianen onder Utrecht afkomstige Bonaventura promoveerde in 1655 op 22-jarige leeftijd te Utrecht tot medicinae doctor en werd in 1672 benoemd tot directeur van het Amsterdamse Sint Pietersgasthuis. In 1677-1678 vocht hij (vooral via pamfletten) een verbeten strijd uit met de befaamde arts Frederik Ruysch en diens vroedmeester Andries Boekelman, waarbij hij hen medisch onzorgvuldig handelen verwijt bij de gecompliccerde verlossing van een doodgeboren kind. Van Dortmont kwam overigens niet alleen met zijn vijanden in conflict: zo wilde Jan Six van Chandelier hem met een luxe uitgevoerde mes en vork en bijbehorend gedicht danken voor de succesvolle behandeling van een ontsteking aan de hand. Van Dortmont weigerde het present echter, hetgeen Six van Chandelier inspireerde tot een nieuw gedicht: 'Op versmaade erkentenisse...' (zie ook onder Meer info?). De ondertrouwakte links is van zijn eerste ondertrouw, met Maria Elisabeth Blaeu. In 1667, inmiddels weduwnaar, gaat hij opnieuw in ondertrouw, ditmaal met Catarina Berewouts.

 

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

'De inspecteurs van het Collegium Medicum', in 1683 geschilderd door Adriaen de Backer. Bonaventura van Dortmont is de derde persoon van links, gezeten aan een tafel met de ganzenveer in de hand. Bron: Collectie Rijksmuseum, klik hier voor de brongegevens

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Joan Corver, secretaris en burgemeester der stad Amsterdam

 

Gespot door:

swift

 

Joan Corver (1628-1716) is zonder twijfel één van de meest invloedrijke personen in het Amsterdamse stadsbestuur van de tweede helft van de zeventiende eeuw geweest. Nadat hij al in 1652 op 24-jarige leeftijd was benoemd tot secretaris der stad Amsterdam, zou hij vanaf 1681 maar liefst negentien keer gekozen worden als één der burgemeesteren. Onder zijn bewind vindt overigens ook het Aansprekersoproer van 1696 plaats, een bloedig neergeslagen oproer naar aanleiding van een door het stadsbestuur voorgenomen beperking van het aantal aansprekers (Zie onder Meer info?). Daarnaast was Corver raad van Admiraliteit van Amsterdam, kolonel van de schutterij, bewindhebber van de VOC en curator van het Athenaeum Illustre. In 1660 trouwt hij met de dertien jaar jongere Margareta van Bambeeck, dochter van de rijke laken- en wolhandelaar Nicolaas van Bambeeck. Van hen is ook de akte die u links vindt. Na het overlijden van Margaretha in 1664 hertrouwt hij vijf jaar later met Agatha Munter (1632-1687), dochter van één der toenmalige Amsterdamse burgemeesteren; via dit huwelijk verwerft hij de titel Heer van Velsen. De familie Corver trouwt so-wie-so 'strategisch': veel partners komen uit de meest vooraanstaande Amsterdamse families. Zo trouwt Joan's oudste kleinzoon Joan Corver (1688-1719) achtereenvolgens met twee telgen van de familie Trip: Johanna (1689-1710) en haar nicht Sara Maria Trip (1693-1721), mede-stichtster van het nog altijd bestaande Corvershofje aan de Nieuwe Herengracht. Joan senior is in zijn tijd één van de meest welvarende Amsterdammers en woont aan de zogenaamde 'gouden bocht' van de Herengracht.

 

 

 

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Zeventiende-eeuw portret van Joan Corver, maker onbekend. Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

   

 

 

 

Casparus Commelin, botanicus en hoogleraar

 

Gespot door:

Genealoog2

 

Casparus Commelin (1668-1731) was een telg uit een geleerd geslacht. Zijn grootvader Isaac Commelin was een befaamd historicus en boekhandelaar, zijn vader Caspar Commelin senior uitgever van kranten, zijn oom Johannes Commelin was één van de grondleggers van de Amsterdamse Hortus Botanicus. Na zijn studie en promotie tot doctor in de medicijnen kreeg hij in 1696 een betrekking als botanicus aan de Hortus Botanicus. Hij voltooide daar, in samenwerking met Frederik Ruysch, het eerdere onvoltooide werk over in- en uitheemse flora, waarbij hij specialist was op het gebied van exotische planten. De beroemde botanicus Linnaeus zou een deel van zijn werk baseren op de afbeeldingen en beschrijvingen van Commelin. In 1706 werd hij benoemd tot professor aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre, later werd hij ook benoemd tot inspecteur van het Collegium Medicum. In die hoedanigheid is hij afgebeeld op een schilderij van Nicolaas Troost uit 1724. Hij trouwde twee maal, de akte links is van zijn tweede huwelijk in 1705. Hij woonde destijds aan de Keizersgracht, op het huidige huisnummer 504 (Huis 'De Pijnappel'). Opvallend is dat de ondertrouw ingeschreven is door Joseph Huydecoper van Maarsseveen; hij was de zoon van Johannes Huydecoper van Maarsseveen, die samen met de oom van Casparus de Hortus Botanicus stichtte.

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Schilderij van het Collegium Medicum, in 1724 geschilderd door Cornelis Troost. Casparus Commelin is degene die uiterst rechts aan tafel zit. Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Pieter Johan Boddaert, koopman en politicus

 

Gespot door:

Ans

 

Hoewel hij in Amsterdam, de woonplaats van zijn verloofde Sara Agatha le Jolle zou trouwen, was Pieter Johan Boddaert sterk verbonden met Zeeland. Hij stamde uit een familie van Zeeuwse notabelen: zijn grootvader was burgemeester van Middelburg, terwijl zijn vader het bracht tot raad aan het Hof van Vlaanderen, bewindvoerder van de VOC en gedeputeerde.  Pieter Johan zelf studeerde eerst recht in Leiden, waar hij in 1802 promoveerde in het Romeins en hedendaags recht. Na zich eerst te Middelburg als advocaat gevestigd te hebben, nam hij al snel deel in de firma Boddaert & Co. aldaar. Ook politiek zat hij niet stil: in 1808-1809 maakte hij deel uit van de vroedschap van Middelburg onder de Bataafse Republiek en bracht hij het tot plaatsvervangend wethouder. Na in 1814 toegetreden te zijn tot de Provinciale Staten van Zeeland, werd hij in 1824 lid van de Tweede Kamer, waar hij tot 1840 deel van zou blijven uitmaken. In 1830 was hij één van de Kamerleden die voor de scheiding van Nederland en België stemden. Hij werd diverse malen geridderd en uiteindelijk in 1832 in de adelstand (jonkheer) verheven. Hij trouwde in 1810; uit het huwelijk werden  twee zoons en één dochter geboren.

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Familiewapen van de familie Boddaert. Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

 

 

Jacob Olie senior, vader van fotograaf Jacob Olie Jbz

 

Gespot door:

Genealoog2

 

Eén van de bekendste vroege Amsterdamse fotografen is ongetwijfeld Jacob Olie Jbz. (1834-1905). Hoewel van huis uit timmerman en bouwkundige was hij één van de eersten die op grote schaal (met een zelfgebouwde camera) Amsterdam op de fotografische plaat vastlegde. Aanvankelijk in de directe omgeving van zijn ouderlijk huis aan de Zandhoek (vanwege het feit dat de belichte glasplaten direct ontwikkeld moesten worden), maar met de komst van 'houdbaarder' fotografisch materiaal ook verder weg. De eerste foto's dateren uit de periode tussen 1860 en 1870. Daarna lijkt het er op dat hij de fotografie lange tijd nauwelijks meer beoefent; pas na zijn pensionering (hij was inmiddels benoemd tot tekenleraar en directeur van de eerste ambachtschool in Nederland) begint hij weer intensief te fotograferen. De akte links is van het eerste huwelijk van zijn vader, houtvlotter/makelaar Jacob Olie senior in 1805. Jacob senior zou in totaal drie keer trouwen; zijn eerste twee echtgenotes (zussen van elkaar!) overleden al op respectievelijk 33- en 39-jarige leeftijd. Fotograaf Jacob Olie Jbz is een kind uit het derde huwelijk van Jacob senior, met Aagje Eelmers Blank Mooij. 

 

Klik op de afbeelding voor een grotere versie 

Fotografisch zelfportret van Jacob Olie, 1862. Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens

 

Meer info?

 

Klik voor vergroting akte

 

 

 

 

 

 

Terug naar hoofdpagina