Project 'Ja, ik wil!'

Een stad voor vrouwen – Begijnen en begijnhoven in vroegmodern Europa

 

 

Op 14 april 2013 stierf in Kortrijk de allerlaatste begijn, Marcella Pattyn, op 92-jarige leeftijd. Hiermee kwam er een einde aan een beweging die al tot stand kwam in de Middeleeuwen: groepen van religieuze vrouwen die er voor kozen om samen een leven van religieuze toewijding te leiden, zonder zich daarvoor tot de reguliere orden of kloosters te wenden. De begijnenbeweging wordt dan ook wel gezien als de ‘eerste feministische revolutie’. Het leven in een begijnhof was anders dan het leven in een klooster of dat in andere religieuze instellingen. Begijnhoven waren op zichzelf staande instellingen die geen deel uit maakten van een overkoepelende organisatie zoals een kloosterorde, en functioneerden ook grotendeels los van het pauselijke gezag.

 

De rechten van begijnen

Drie begijnen in het Begijnhof van Breda, ca. 1930.

Met dank aan het Breda's Museum.

 

Begijnen legden geen eeuwige geloften af, en de tijdelijke geloften die zij aflegden beperkten zich tot gehoorzaamheid aan de overste van het begijnhof. Juist omdat zij geen geloften van armoede aflegden, behielden begijnen hun recht op het bezit van wereldlijke goederen, ook al hielden ze er meestal een sobere levensstijl op na. Door werken of vererven konden ze hun bezit ook vergroten; daarbij behielden ze het recht om de bestemming van hun goederen bij hun overlijden per testament zelf te bepalen. In de praktijk ging vaak een aanzienlijk deel van hun bezittingen naar het begijnhof of begijntjes met wie ze een nauwe band hadden, maar ook niet-religieuze partijen werden vaak begunstigden. Daarnaast behielden ze hun rechtspersoonlijkheid en waren ze minder afgesloten van de bewoonde wereld dan de bewoners van de meeste kloosters. Begijnhoven waren overdag voor iedereen toegankelijk en zelfs het bezoek van mannen aan het hof was niet verboden, zij het wel strict gereguleerd [1]. Het aanbieden van iets te eten of te drinken aan een werkman was nog geoorloofd maar een privébezoek van een mannelijk persoon was uit den boze. Het aantal begijnen binnen een begijnhof was meestal groter dan het aantal kloosterlingen in een klooster, die meestal niet meer dan 60 leden hadden [2]. Uitzonderlijk grote begijnhoven waren te vinden in Gent en Mechelen met wel honderden of zelfs duizenden bewoonsters.

 

Historiografie

Het eerste geschreven document waarin de begijnenbeweging ter sprake komt stamt uit het tweede decennium van de dertiende eeuw [3]. Hierin beschrijft Jacques de Vitry het leven van Marie d’ Oignies uit Luik en 'promoot' hierbij haar levensstijl. Het gebied rond Luik is ook de regio waar de eerste begijnhoven van de grond komen. Vervolgens verspreidde deze beweging zich over de rest van de Zuidelijke Nederlanden, maar ook over Noord-Frankrijk en naar het oosten van Bohemen; nergens echter had de begijnenbeweging zo een stevige voet aan de grond als in de Lage Landen. In de periode tussen 1230 en 1320 schoten in de Zuidelijke Nederlanden de begijnhoven als paddenstoelen uit de grond [4]. Het grootste gedeelte (rond de zeventig procent), van de begijnhoven werd opgericht vóór de Reformatie. Tijdens de Reformatie verdween het grootste gedeelte van de begijnhoven in het noordelijke gedeelte van de Lage Landen; enkel die in Amsterdam en Breda bleven als begijnhof in gebruik.In deze periode was er ook sprake van een terugkeer van de patriarchie, waarbij het tij weer enigszins begon te keren voor de werkende vrouw op de West-Europese arbeidsmarkt. De verdere ontwikkeling van het Europese huwelijkspatroon werd hierdoor afgeremd [5]. Eén van de symptomen hiervan was de start van de registratie van (onder)trouwen, waarmee huwelijken uit de (mogelijke) clandestiniteit gehaald werden; hiertoe dienden in in ieder geval de vereisten van het consent van de ouders en de aanwezigheid van twee getuigen bij de voltrekking van het huwelijk.

 

De 'terugkeer van de patriarchie' had ook gevolgen voor vrouwen die ongehuwd en alleenstaand bleven, zoals de begijnen. Het pauselijke toezicht op de begijnenbeweging werd strikter en ook met andere maatschappelijke actoren (zoals de textielgilden die in de begijnen wel eens hun concurrenten zagen) kon het wel eens botsen. Maar tijdens de Contrareformatie in de zeventiende eeuw vond er een opleving plaats in de begijnenbeweging en werden enkele begijnhoven, zoals in Tongeren, groter dan ze ooit geweest waren [6]. Deze bloei liep tegen de late achttiende eeuw op zijn einde, waardoor het aantal begijnen in de Lage Landen flink afnam. Vanaf de late negentiende eeuw krijgt het begijnenwezen vaak een negatieve bijklank: begijnen werden wel eens 'kwezels' genoemd, en er verschijnen vele spotverzen over hen.

 

In de twintigste eeuw groeit de begijnenpopulatie nog nauwelijks aan en raken een aantal begijnhoven in verval. Sinds de erkenning van ruim twintig Vlaamse begijnhoven als werelderfgoed door de UNESCO in 1998 worden ze meer en meer in hun oorspronkelijke glorie hersteld.

 

 

Luchtfoto van het begijnhof te Aalst (België), ca. 1910

Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens

 


Achtergronden ontstaan begijnenbeweging

In de literatuur worden er meestal twee oorzaken gegeven voor het ontstaan van de begijnhoven in West-Europa; namelijk de beperkte toegang tot de kloosters en de onevenwichtige verhoudingen tussen aantallen mannen en vrouwen in Middeleeuwse steden [7]. Vrouwen die zich aan een religieus leven wilden wijden. moesten bij intrede in een klooster een bruidschat betalen; hierdoor was deze optie vooral weggelegd voor vrouwen van welgestelde families. Bovendien raakten vele kloosters vol en was het sinds 1215 verboden nieuwe religieuze orders op te richten. Daarnaast gaat men er van uit dat er in de Middeleeuwse steden een overschot aan vrouwen was, onder andere door een relatief hogere sterfte bij mannen ten gevolge van oorlog, ziektes, en arbeidsongevallen. Voor deze vrouwen waren de begijnhoven een goed alternatief voor een huwelijk of toetreding tot een klooster. Daarnaast hadden vrouwen in de steden als begijn de vrijheid om naast hun religieuze leven zich in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, bijvoorbeeld als lerares of spinster.


Deze factoren kunnen echter niet verklaren waarom de begijnenbeweging zich zo lang in stand kon houden, noch waarom het fenomeen zo sterk kon groeien in de Lage Landen (en niet elders). Bovendien verklaart dit ook niet waarom het voor hen mogelijk was om op deze manier –als een zelf-organiserende collectiviteit, waar mannen nauwelijks inspraak in hadden – zich te organiseren [8]. De moeilijke toegang tot de kloosters speelde waarschijnlijk alleen een rol in de beginperiode van het ontstaan van de begijnhoven en was vaak minder restrictief dan men voorheen dacht. Bovendien speelden dergelijke factoren nauwelijks meer een rol in de zeventiende eeuw, toen de begijnhoven een nieuwe bloeiperiode voor doormaakten. Er moet dus gekeken worden naar andere factoren die van belang waren voor het voortbestaan van de begijnhoven in de Lage Landen. Dit geldt zowel voor de alternatieven die vrouwen destijds hadden, als voorhet 'klimaat' waarin deze vrouwen hun begijnhoven opzetten. Ten aanzien van dit laatste vertonen zij overeenkomsten met andere zelf-organiserende instituties uit die periode, zoals de gilden.

 

Foto van schilderij uit 1900 van de Vlaamse schilder Louis Tydtgat (1841-1918), voorstellende twee handwerkende begijnen.

Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens

 

 

De keuze voor het begijnhof op zich, en dus meteen ook de (tenminste tijdelijke) keuze om niet te huwen, noch in het kloostertreden kunnen we beter begrijpen wanneer we naar de context waarin en vooral het moment waarop deze keuze gemaakt werd onderzoeken. Met behulp van biografische gegevens van meer dan 13.000 begijnen van verschillende begijnhoven in de Lage Landen is het mogelijk om meer te weten te komen over hun beslissing om begijn te worden [9]. Uit onderzoek van deze gegevens aan de universiteit van Utrecht is gebleken dat een zeer groot gedeelte van de begijnen niet afkomstig was van de stad waarin het begijnhof zich bevond. Het probleem van een overschot aan vrouwen in de steden kan hier dus geen invloed op gehad hebben. De afstand tussen het begijnhof en het thuisfront was zelden meer dan 50 kilometer. Als vrouwen hun levensgezel niet in de steden konden vinden, dan was het nog altijd mogelijk terug te keren naar de thuisbasis, en het sociale netwerk daar aan te spreken.


Naast de plaats waar de begijnen vandaan kwamen hebben we ook inzicht in de leeftijd waarop de gemiddelde begijn toetrad tot de organisatie [10]. Door deze gemiddelde leeftijd te vergelijken met de gemiddelde leeftijd waarop met toetrad tot een klooster en de gemiddelde huwelijksleeftijd kunnen we inzicht krijgen in de afweging die een vrouw kon maken tussen klooster, begijnhof, of huwelijk. Te zien is dat de leeftijd waarop men koos voor een leven in een klooster gemiddeld lager was de professieleeftijd waarop men in een begijnhof intrad. Daarentegen lag de gemiddelde huwelijksleeftijd hoger dan de leeftijd waarop men voor het begijnhof koos. Dit laat zien dat intrede in een klooster geen alternatief was vanwege de hoge leeftijd – de vrouwen waren al te oud voor die ‘optie’ – , maar men ook niet afwachtte tot er een interessante huwelijkspartner voorbij kwam. Het is dus zeker niet zo dat de 'gemiddelde' begijn in het begijnhof terechtkwam omdat ze maar geen man kon vinden (hoewel niet uit te sluiten valt dat dat in sommige gevallen wel de reden zal zijn geweest).

 

Wat dan wel van belang is om het fenomeen te verklaren is het Europese Huwelijkspatroon, dat destijds de Lage Landen domineerde en waarbinnen het vrij gangbaar was om single te blijven. Door de hoge gemiddelde huwelijksleeftijd was het sowieso ook voor vrouwen gangbaar om lang naar een geschikte partner te zoeken, en in de tussentijd alvast wat te verdienen, bijvoorbeeldv. als dienstmeid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er soms ook geen partner gevonden werd, en vrouwen single bleven. Het is, gezien de gemiddelde professieleeftijd van begijnen, niet ondenkbaar dat zij bewust ervoor kozen om single te blijven, maar het begijnhof daarbij zagen als een veilige haven in een niet al te vrouwvriendelijke omgeving als de vroegmoderne stad.

 

Grafiek van de gemiddelde leeftijd van begijnen bij hun professie (plechtige bevestiging als begijn, meestal één tot anderhalf jaar na intrede in het begijnhof), vergeleken met de gemiddelde leeftijd van Amsterdamse bruiden (steekproef) en met de gemiddelde leeftijd bij intrede in het klooster (onderste lijn, niet in legenda vermeld).

Bron: Tine De Moor.

 


Maar dan nog blijft de vraag waarom een begijnhof qua interne organisatie niet meer op een klooster leek. De meeste begijnhoven bestonden slechts in beperkte mate uit kloosterachtige conventen. Het uiterlijk van een begijnhof werd toch vooral bepaald door individuele woningen. In deze woningen woonden soms wel meerdere begijnen tezamen, maar elk behield daarbij toch haar individuele vrijheden, hetgeen in het klooster niet het geval was. Begijnen hadden wel een zekere regelmaat, zeker inzake het bijwonen van de liturgie en bidden, maar hadden als individuen binnen de collectiviteit toch een grote mate van zelfstandigheid.

 

Zeker wanneer we ook hun grootste bron van inkomsten erbij betrekken, de textielproductie, zien we zowel wat organisatie als activiteiten betreft wel wat gelijkenissen met een andere vorm van verinstitutionaliseerde zelf-organisatie, met name het gilde. In de literatuur worden de begijnen wel een ‘vrouwengilde’ genoemd, precies vanwege hun werkzaamheden in de textielindustrie [11]. Op verschillende punten komen ze ook organisatorisch sterk overeen met gilden. Zo waren ze beiden in hoge mate zelfbesturend en was het verplicht om lid te worden van de organisatie door middel van een eed. Daarnaast zorgden beiden voor risicodeling door economische gevaren uit de weg te gaan en werd een veilige en productieve leefomgeving gecreeërd door samenwerking. Op deze manier kan een begijnhof ook gezien worden als een institutie voor collectieve actie, net zoals onder andere de gilden dat waren.
Samenvattend kan men stellen dat het wonen in een begijnhof wellicht moet gezien worden als het gevolv van vele, individuele, bewuste keuzes om single te blijven, iets waarvan in de Lage Landen niet werd opgekeken [12]nwijding in een klooster of huwen was geen alternatief voor vrouwen die deze keuzes maakten. De begijnbeweging moet niet gezien worden als een uitzonderlijk fenomeen maar als consistent met de rol van vrouwen in de samenleving en economie in Noordwest Europa, waar het al vrij vroeg normaal was dat vrouwen binnen het huishouden een stem hadden en ook actief participeerden aan het economische leven. Begijnhoven laten zien hoe in de middeleeuwse en in de vroegmoderne tijd openingen werden gecreëerd voor vrouwen die ondenkbaar waren in meer patriarchale samenlevingn.

 

 

Noten

 

[1] Wim Tepe, 1987. Begijnen in de Lage Landen (Aalsmeer: Luyten), pp. 39-40.

[2] Tine De Moor, 2014. Single, safe, and sirry? Explaining the eraly modern beguine movement in the Low Countries. Journal of Family History 39(3): 3-21, p. 4.

[3] Tine De Moor, Single, safe and sorry, pp. 3-5.

[4] Tine De Moor, Single, safe and sorry, pp. 3-5.

[5] Tine De Moor en Jan Luiten van Zanden, 2006. Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa (Amsterdam: Boom), pp. 93-99.

[6] Tine De Moor, Single, safe and sorry, p. 5.

[7] Tine De Moor, Single, safe and sorry, pp. 6-7.

[8] Tine De Moor, Single, safe and sorry, pp. 6-7.

[9] Tine De Moor, Single, safe and sorry, pp. 7-9.

[10] Tine De Moor, Single, safe and sorry, pp. 9-15.

[11] Tine De Moor, Single, safe and sorry, p. 15.

[12] Tine De Moor, Single, safe and sorry, pp. 15-16.

 

Meer lezen / zien?

Als er een icoontje staat, kun je het artikel direct online lezen/bekijken door op het icoontje te klikken.

 

Tine De Moor, 2014. Single, safe, and sorry? Explaining the early modern beguine movement in the Low Countries. Journal of Family History 34(3): 1-23.
Tine de Moor en Jan Luiten van Zanden, 2006. Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa (Amsterdam: Boom).
 

Otto Nübel, 1970. Mittelalterliche Beginen- und Sozialsiedlungen in den Niederlanden. Studien zur Fuggergeschichte 23 (Tübingen: J. C. B. Mohr (Paul Siebeck)).

 

Walter Simons, 2001. Cities of Ladies. Beguine communities in the medieval Low Countries, 1200-1565 (Philadelphia, USA: University of Pannsylvania Press).

'Vrouwen'. Interview door Henk Westbroek met Tine De Moor over begijnen voor de aflevering 'Vrouwen' van het programma 'Westbroek!' op RTV Utrecht, 11 maart 2014 (start interview vanaf 08:04).
Literatuurlijsten over begijnhoven (Engelstalige site)
Case studies over begijnhoven (Engelstalig)

 

 

 

terug naar Wist u dat...

terug naar hoofdpagina