Project 'Ja, ik wil!'

Goede tijden, slechte tijden: huishoudens in de knel

 

In Noordwest-Europa zorgden o.a. de relatief hoge leeftijd van kersverse bruidsparen en de sociaaleconomische positie van vrouwen (erfrecht, de mogelijkheid van een gezamenlijk inkomen per huishouden) er voor dat kinderen direct na het sluiten van hun huwelijk het ouderlijk huis verlieten om een eigen huishouden te vormen. De ouders van zowel bruid als bruidegom bleven na het vertrek van de kinderen uiteindelijk met zijn tweeën achter en waren dus voor zorg en hulp in eerste instantie op elkaar aangewezen. Dat gold des te meer als hun kinderen om bepaalde redenen besloten hun heil op ruime afstand van de ouderlijke woonplaats te zoeken.

 

Een eigentijds waarschuwingsteken.... Bron: Flickr

 

Maar niet alleen de afstand in kilometers tussen ouders en hun getrouwde kinderen beperkte de mogelijkheden tot ‘mantelzorg’ door de kinderen: ook de economische situatie van de kinderen zelf beperkte deze mogelijkheden. Aangezien mannen en vrouwen pas op relatief hogere leeftijd huwden en een gezin begonnen te vormen, werden deze jonggehuwden vaak geconfronteerd met de zorg voor twee generaties tegelijkertijd: aan de ene kant hun nog jonge en afhankelijke kinderen en aan de andere kant hun weer afhankelijker wordende oudelui. Vanwege het relatief kleine leeftijdsverschil tussen de beide partners waren beider ouders ook vaak tegelijkertijd hulbehoevend. Jonggehuwden kwamen daardoor eigenlijk ‘knijp’ (‘squeezed’) te zitten: aan de ene kant hadden ze de kosten en lasten van een eigen nieuw gezin en aan de andere kant de noodzaak om hun ouders een verzorgde oude dag te bieden.

 

Een aanvullende complicatie daarbij was het relatief kleine leeftijdsverschil in leeftijd tussen bruid en bruidegom in Noordwest-Europa. In andere delen van Europa waren de mannen doorgaans (veel) ouder dan hun behoorlijk jonge echtgenotes. Dit had voor de ‘mantelzorg’ het voordeel dat vrouwen in Zuid- en Oost-Europa op het moment dat zij weduwe werden, nog jong en draagkrachtig genoeg waren om de zorg aan hun bejaarde ouders te kunnen leveren. Bovendien, omdat zij jong moeder gewordenwaren, waren de meeste kinderen al vrij zelfredzaam op het moment dat de grootouders de zorg van hun dochter nodig haddenoen waren kinderen soms zelfs al in staat om een deel van de zorgtaken van moeder over te nemen.

 

Bovendien betrof de zorgvraag meestal alleen nog haar eigen ouders: door het leeftijdsverschil waren de ouders van haar echtgenoot doorgaans al langere tijd overleden. In Noordwest-Europa was niet alleen het leeftijdsverschil tussen man en vrouw, maar daardoor ook het leeftijdsverschil tussen de wederzijdse ouderparen relatief klein. Een echtgenote uit de Lage Landen kon dus vrijwel tegelijkertijd te maken kragen met zorgvragen uit vier richtingen:

  • zorg voor haar kinderen
  • zorg voor haar echtgenoot
  • zorg voor haar eigen ouders
  • zorg voor haar schoonouders.  

 

We vermoeden dat deze ‘squeeze’-situatie voor jonge echtparen en hun ouders in de Lage Landen sterk bijgedragen heeft aan de opkomst van een divers aanbod aan geïnstitutionaliseerde oplossingen voor deze zorgvragen, zoals bijvoorbeeld in de vorm van proveniershuizen: individuen en echtparen die van te voren verzekerd wilden zijn van een relatief goed verzorgde oude dag konden van tevoren zich verzekeren van kost en onderdak voor de laatste levensfase; de hoogte van de hiervoor verschuldigde bedragen hingen voornamelijk af van de leeftijd waarop deze ‘oudedagsverzekering’ werd afgesloten: hoe jonger de aanvrager, des te hoger de inkoopsom.

 

Meer weten?

Bij de onderzoeksgroep 'Instituties voor collectieve actie' lopen er momenteel verschillende projecten over ouderenzorg en instituties:

 

 

 

terug naar Wist u dat...

terug naar hoofdpagina