Project 'Ja, ik wil!'

Amsterdammers, daar kun je op rekenen!

 

Bronnen als de ondertrouwakten worden vaak gebruikt om de geletterdheid van de bevolking te bepalen, door een onderscheid te maken tussen trouwlustigen die een handtekening konden plaatsen en zij die zich beperkten tot een merkteken of een schamel kruisje. In Amsterdam was bepaald dat zowel de bruidegom als de bruid deze ondertrouwakten moesten ondertekenen.

 

Onderzoekers gaan er van uit dat als men in staat was de ondertrouwakte te ondertekenen, men ook kon lezen en schrijven [1]. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat het steeds beter ging met die vaardigheden: het percentage mannen dat de huwelijksakten ondertekende bedroeg in 1585 al 55 procent en steeg naar ruim 70 procent in 1700; voor vrouwen steeg het van 32 naar 51 procent in diezelfde periode. Uit verdere analyses, gebaseerd op de vermelding van gezindheid of beroep blijkt dat vooral onder varenslieden (53 procent) en Joodse vrouwen (69 procent) velen analfabeet waren.

 

'Lezende vrouw'. Schilderij uit de tweede helft van de 17e eeuw,

geschilderd door Pieter Janssens Elinga (1623-1682).

Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens

 

Het staat buiten kijf dat geletterdheid van belang is voor economische en technologische vooruitgang, maar minstens even belangrijk is het kunnen tellen en rekenen. Ook dat echter kunnen we – wellicht tot de verbazing van velen – achterhalen aan de hand van de gegevens uit de ondertrouwakten, met name door het zogenaamde leeftijdstapelen of ‘age heaping’ [2]. In de vorige eeuw werd door de Verenigde Naties herhaaldelijk vastgesteld dat bij volkstellingen in ontwikkelingslanden de leeftijd vaak geschat werd, wat zich vertaalde in het feit dat opvallend veel opgegeven leeftijden eindigden op 0 of 5. Zo blijken er dan vaak opvallend meer mensen van 50 of 60 jaar te zijn, maar bijna niemand die 49, 51, 59 of 61 jaar oud is. Men kan de 'schatting' ook interpreteren als een teken van onvoldoende 'gecijferdheid'; hiervan uitgaande kunnen bronnen waarin leeftijden opgegevenwerden gebruikt worden om de mate waarin een bevolking kon lezen en schrijven te bepalen. Doorgaans worden deze analyses beperkt tot de bevolking tussen de 23 en 62 jaar, omdat deze in demografisch opzicht tamelijk stabiel is (voor de leeftijd van 23 en voorbij de 62 jaar is er een hogere kans dat sterfte het patroon kan beïnvloeden).

 

Door gebruik te maken van de zogenaamde ‘Whipple-index’ kan de mate waarin leeftijdstapelen voorkomt in gebieden met elkaar vergeleken worden. Deze index wordt berekend door het aantal geregistreerde personen waarvan de leeftijd eindigt op een 0 of een 5, te delen door één vijfde van het totale aantal personen (om zo ook rekening te houden met het aantal personen dat die leeftijd ook daadwerkelijk kan gehad hebben). Dit getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met honderd. Bij een Whipple-index van 100 heeft iedereen dus de correcte leeftijd opgegeven en is er dus geen sprake van leeftijdstapelen. Als de index de maximale waarde van 500 aangeeft betekent dit dat alle leeftijden eindigden op een 0 of een 5, en dat de gehele populatie dus erg ongecijferd was. Het leeftijdstapelen kan worden gezien als een indicator van de vertrouwdheid met cijfers en dus gebruikt worden om gecijferdheid te meten.

 

    1585 1600 1650 1700 1750 1800
Mannen Aantal (N) 81 242 192 261 245 171
Whipple-index 154 103 125 142 135 114
Vrouwen Aantal (N) 66 175 143 232 240 163
Whipple-index 159 129 94 121 119 129
Totaal Aantal (N) 147 471 335 493 485 334
Whipple-index 156 114 112 132 127 121

Whipple-index op basis van de Amsterdamse ondertrouwregisters over verschillende steekjaren.

Bron: De Moor en van Zanden, 2008, p. 71.

 

Ook op de leeftijden die opgegeven zijn bij de ondertrouwakten kan de ‘Whipple-index’ worden toegepast (rekening houdend met het feit dat de leeftijden geclusterd zijn rond de 25 jaar aangezien dat de leeftijdscategorie is waartoe de meeste bruiden en bruidegommen behoorden [3]). Uit eerder onderzoek bleek dat de waarden sterk dalen in de zeventiende eeuw tot een niveau dat relatief dicht bij de ideale sore van 100 ligt. Het valt ook op dat er een zeer klein verschil is tussen de mannen en de vrouwen, regelmatig zelfs in het voordeel van de vrouwen (zie tabel). Dus waar vrouwen wel een achterstand behouden op het gebied van lezen en schrijven, hadden ze hetzelfde niveau wat betreft gecijferdheid. Naast bronnen als tellingen kunnen ook andere bronnen gebruikt worden om inzicht te geven in de gecijferdheid [4]. Het is hierbij wel belangrijk dat de leeftijd individueel is opgegeven en er geen belang is om een specifieke leeftijd te vermelden. Zo kunnen ook – om een beeld te krijgen van het niveau van gecijferdheid in het Vlaamse Brugge – de registers van de Doorgaande Waarheden uit de late vijftiende en zestiende eeuw gebruikt worden. Dit was een soort enquête die bedoeld was om misdrijven op te sporen, waarbij op jaarlijkse basis een reeks vragen voorgelegd waaronder ook de leeftijd. Ook uit deze analyses is gebleken dat de bevolking van de Lage Landen in het algemeen en vrouwen in het bijzonder toen al een voorsprong hadden op de rest van Europa inzake gecijferdheid.

 

Een zelfde methodiek kan ook toegepast worden op de aetatis suae-vermeldingen op (in het bijzonder zeventiende-eeuwse) portretten [5]. Tijdens de vijftiende eeuw werd de portretschilderkunst een belangrijke genre in de Lage Landen, en werden geschilderd om onder andere personen te herinneren, als prestigestuk of ter gelegenheid van een huwelijk. Op deze portretten werd vaak de leeftijd aangegeven door middel van aetatis suae met vervolgens de leeftijd in Romeinse cijfers, plus eventueel de naam van de geportreteerde en het jaartal. Het was typisch iets voor Noordwest-Europa om deze informatie te melden op portretten en was het populairst in Holland tijdens de eerste helft van de zeventiende eeuw. Het toepassen van de Whipple-index op de leeftijdsinformatie uit deze portretten bevestigt het hoge niveau van gecijferdheid in de Lage Landen en de sterke positie die de vrouw daarin innam.

Vrouwsportret uit 1562 (vermoedelijk is de afgbeelde vrouw Catherine Carey, Lady Knollis) , geschilderd door Steven van der Meulen (?-1568). In de rechterbovenhoek staat de vermelding AETATIS SUAE 38 / Ao DOM 1562 [haar leegftijd 38; in het jaar des Heren 1562].

Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor de brongegevens.


Door gebruik te maken van deze verschillende bronnen blijkt dat het leeftijdstapelen in de Lage Landen, met 15 à 20 procent, veel minder vaak voor kwam dan in de rest van West-Europa waar dit percentage circa 35 tot 45 procent bedroeg [6]. Dit laat zien dat de revolutie in gecijferdheid, die zich elders pas tussen 1600 en 1900 afspeelde, in de Lage Landen al rond 1600 was afgerond. Opvallend is dat de vrouwen hierin een sterke positie hadden en hierbij nauwelijks achterliepen op de man, of het soms zelfs beter deden.

 

Een verklaring hiervoor kan te vinden zijn bij het Europese huwelijkspatroon [7]. Door de hogere gemiddelde huwelijksleeftijd in Noordwest-Europa breidde ook de periode waarin vrouwen deelnamen aan de arbeidsmarkt zich uit, met name met de periodes tussen respectievelijk het 12e en het 14e en het 20e en 25e jaar. Juist deze (arbeids)markt was een plek waar tellen en rekenen (en daarmee gecijferdheid) in de praktijk bijgebracht werd [8].

 

Gecijferdheid wordt gezien als een belangrijk element van menselijk kapitaal dat noodzakelijk is voor het functioneren in een markteconomie. Volgens de ‘New Growth Theory’ zijn het juist deze investeringen in menselijk kapitaal die de drijvende kracht zijn achter de economische groei van West-Europa [9].

 

 

Noten

[1] Simon Hart, 1968. Enige statistische gegevens inzake analfabetisme te Amsterdam in de 17e en 18e eeuw. Amstelodamum 55(1), pp. 3-7.

[2] Tine De Moor en Jan Luiten van Zanden, 2008. Van fouten kan je leren. Een kritische benadering van de mogelijkheden van ‘leeftijdstapelen’ voor sociaal-economisch onderzoek naar gecijferdheid in het pre-industriële Vlaanderen en Nederland. Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 5(1), pp. 59-65

[3] De Moor en van Zanden, Van fouten kan je leren, pp. 70-71.

[4] De Moor en van Zanden, Van fouten kan je leren, pp. 66-68.

[5] Tine de Moor en Jaco Zuijderduijn, 2013. The art of counting: reconstructing numeracy of the middle and upper classes on the basis of portraits in the early modern low countries’, Historical Methods 46(1), pp. 41-56.

[6] De Moor en van Zanden, Van fouten kan je leren, pp. 79-80.

[7] Meer over het Europese huwelijkspatroon en de rol van de vrouw hierin is te lezen in: Tine de Moor en Jan Luiten van Zanden, 2006. Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa (Amsterdam: Boom).

[8] De Moor en van Zanden, Van fouten kan je leren, p. 60.

[9] De Moor en van Zanden, Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme, p. 76.

 

Meer lezen?

Als er een PDF-icoontje staat, kun je het artikel direct online lezen door op het icoontje te klikken.

 

Simon Hart, 1968. Enige statistische gegevens inzake analfabetisme te Amsterdam in de 17e en 18e eeuw. Amstelodamum 55(1), pp. 3-7.
  Tine de Moor en Jan Luiten van Zanden, 2006. Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa (Amsterdam: Boom).
Tine De Moor en Jan Luiten van Zanden, 2008. Van fouten kan je leren. Een kritische benadering van de mogelijkheden van ‘leeftijdstapelen’ voor sociaal-economisch onderzoek naar gecijferdheid in het pre-industriële Vlaanderen en Nederland. Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 5(1), pp. 59-65.
Tine de Moor en Jaco Zuijderduijn, 2013. The art of counting: reconstructing numeracy of the middle and upper classes on the basis of portraits in the early modern low countries’, Historical Methods 46(1), pp. 41-56.

 

 

terug naar Wist u dat...

terug naar hoofdpagina