Project 'Ja, ik wil!'

‘Stop de stiekemerds' - Oorzaken en gevolgen van het Concilie van Trente

 

Inleiding

Concilies nemen een belangrijke plaats in binnen de kerkgeschiedenis, maar hebben ook gevolgen gehad voor het dagelijks leven. Vanuit demografisch oogpunt springt vooral het Concilie van Trente (1545-1563) er boven uit: het vormt de bron voor onze huidige Doop-, Trouw en Begraafregisters (DTBs) en heeft zo ook de mogelijkheden naar historisch-demografisch onderzoek sterk beïnvloed.

 

Wat zijn concilies nu eigenlijk?

Concilies waren in eerste instantie de bijeenkomsten van Christelijke leiders en ambtsdragers; pas later zal het specifiek gebruikt worden voor de vergadering van bisschoppen onder directe leiding van de Paus. De concilies zijn dus eigenlijk al bijna zo oud als de Rooms-Katholieke kerk zelf: sommigen beschouwen de bijeenkomst der Apostelen in 49 na Christus [1] als het eerste concilie. De feitelijke telling begint echter met het Eerste Concilie van Nicea in 325. In totaal zijn er 21 erkende (naast een behoorlijk aantal niet-erkende) concilies geweest, waarvan de meest recente het bekende Tweede Vaticaans Concilie (Vaticanum II, 1962-1965) was.

 

Elk concilie was bedoeld om de positie van de Katholieke kerk en de kerkelijke leerregels te heroverwegen en zo nodig opnieuw vast te stellen. Dat gebeurde meestal na externe bedreigingen of interne discussies over belangrijke leerpunten. De duur van concilies kon, afhankelijk van onder andere het aantal besluiten dat genomen moest worden en de ingrijpendheid van veranderingen, variëren van twee weken tot wel achttien jaar; bij de langduriger concilies vonden deze overigens vaak verdeeld over verschillende zittingsperiodes plaats.

 

Concilie van Trente – de aanleiding

Het Concilie van Trente is het langstdurende Concilie tot nog toe geweest: verdeeld over drie zittingsperiodes (1545-1547, 1551-1552, en 1563-64) duurde dit concilie in totaal ruim achttien jaar. Het concilie vond dan ook plaats in een roerige periode voor de Katholieke kerk: het was het eerste concilie na de protestactie van Luther en vond dan ook plaats in een periode van sterk opkomend Protestantisme. Doel van dit concilie was daarom een herpositionering van de Rooms-Katholieke kerk naar aanleiding van de Protestantse kritiek: het wordt dan ook wel beschouwd als de geboorte van de Contrareformatie.

 

In een aantal besluiten valt te herkennen dat de Katholieke kerk de kritiek vanuit Protestantse hoek deels erkende: zo werd het priesters verboden kerkelijke functies als het ware ‘te verzamelen’; verder moesten priesters voortaan een theologische opleiding genoten hebben, wonen in hun directe ambtsgebied, en het celibaat onderhouden [2]. Ook met de keuze van de plaats van het Concilie kwam de Katholieke kerk de Protestanten tegemoet: door het concilie te organiseren in de Noord-Italiaanse stad Trento werden de Protestanten in de gelegenheid gesteld waarnemers te sturen zonder de noodzaak van een lange reis door Katholiek gebied richting het Vaticaan.

 

Vergadering van het Concilie van Trente.

Vijftiende-eeuwse weergave door onbekende artiest.

Bron: Wikimedia Commons, klik hier voor brongegevens.

 

‘Clandestiene’ huwelijken

Het huwelijksrecht kwam laat in het concilie ter sprake: pas op 11 november 1563, tijdens de 24e zitting van het concilie, werd het decreet Tametsi (Latijn voor ‘alhoewel’) uitgevaardigd. Dit was eigenlijk een vervolg op het decreet De poena contrahentium cladestina matrimonia (‘over de straf voor het sluiten van een clandestien huwelijk’), dat drie-en-een-halve eeuw (1215) eerder al tijdens het Vierde Lateraanse Concilie uitgevaardigd was. Directe aanleiding toen was het aantal ‘verborgen’ huwelijken waarmee de Kerk te maken kreeg. Een huwelijk was volgens de toen geldende Katholieke leer geldig zodra de trouwbeloften twee keer waren uitgesproken: eerst beloofden de partners om in de toekomst met elkaar te trouwen (de verba futuris, ‘woorden van de toekomst’), later bevestigd door de definitieve trouwbelofte bij de huwelijkssluiting (de verba praesentis, ‘woorden van het heden’).

 

Paus Innocentius III stelde in 1215 al dat het huwelijk in het openbaar voltrokken zou moeten worden in aanwezigheid van een priester en minimaal twee getuigen. Het probleem was echter dat ook verbintenissen die ‘in het verborgene’ uit vrije wil tussen partners gesloten waren, volgens de Kerk als geldig huwelijk golden, mits de verba futuris, de verlovingswoorden, al gevolgd waren door geslachtsgemeenschap; de seks verving dan als het ware de verba praesentis. Dergelijke verbintenissen werden ‘clandestien’ genoemd: de term ‘clandestien’ verwees daarbij dus alleen naar het verborgen karakter en niet naar de geldigheid, hoewel de Paus in 1215 het sluiten van dergelijke huwelijken, en met name de hulp van priesters daarbij wel degelijk verbood [3].

 

Het probleem werd des te groter toen personen die op deze verborgen, clandestiene wijze al getrouwd waren, om bepaalde redenen ook een publiek huwelijk aangingen met een andere partner: volgens de kerkelijke leer betekende het ‘openlijke huwelijk’ feitelijk overspel ten aanzien van de partner in het verborgen, ‘clandestiene’ huwelijk.

 

Kerk in de klem

De Kerk leek zich klem te voelen zitten tussen enerzijds de wens om dubbele huwelijken en ongewenste huwelijken te voorkomen en anderzijds trouw te blijven aan de idee dat een huwelijk feitelijk al een huwelijk was op het moment dat partners elkaar trouw beloofden. De eerste alinea van het decreet Tametsi geeft tussen de regels door gelezen een indruk hoe moeizaam de Kerk het vond hier een nieuwe weg in te vinden:

 

‘Alhoewel er niet aangetwijfeld kan worden, dat geheime (clandestina) huwelijken die met vrije instemming van beide partners gesloten werden, geldige (rata) en werkelijke (vere) huwelijken zijn, - zolang de Kerk hen niet voor ongeldig heeft verklaard - …, zo heeft de heilige Kerk van God niettemin deze huwelijken uit het diepst van haar hart verafschuwd en verboden.’ [4]

 

De mening van ‘Jan en Janne met de pet’

Hoe beleefden de gewone burgers van onder andere de Lage Landen deze Roomse maatregelen zelf eigenlijk? Hoewel we uiteraard geen opiniestukken van ‘de gemiddelde burger’ uit vroeger eeuwen hebben, kunnen we uit sommige historische bronnen wel het één en ander afleiden. Ten eerste zijn er uiteraard de conciliaire decreten zelf. De voorschriften betreffende de huwelijkssluiting werden al in 1215 gespecificeerd, maar het was kennelijk nodig om deze maatregelen in 1563 in Trente, maar zelfs in 1908 nogmaals te herhalen. Daarnaast geven oude processtukken ons een inkijkje in de belevingswereld van onze voorouders. Uit diverse archiefstukken rond huwelijksdiscussies blijkt dat de belofte om te trouwen door de ‘gewone’ man en vrouw nog steeds als het waarlijke trouwmoment beschouwd wordt.

 

Een sprekend voorbeeld is Janne Heynderickx, een vroeg-zestiende-eeuwse Zeeuwse, die 1497 beloofd had met Adriaen Jacopsz te trouwen en daarna ook regelmatig het bed met hem had gedeeld. Na acht jaar op haar Adriaen wachten kreeg zij een kind van een ander, maar toen Adriaen een officieel verzoek bij de schepenen indiende om van zijn trouwbelofte verlost te worden, zei Janne haarzelf nog steeds als ‘getrouwd voor God’ te beschouwen met Adriaen op basis van hun eerdere wederzijdse trouwbelofte [5]. Het spreekt voor zich dat dit soort situaties vaak tot de nodige moeilijkheden leidde, waaraan de Kerk met de nieuwe regels een einde wilde stellen.

 

Oorsprong van de DTBs

Naar aanleiding van de problematiek werden een aantal ingrijpende maatregelen aangekondigd:

een voorgenomen huwelijk moest op drie achtereenvolgende zondagen in de kerk worden afgekondigd

Deze maatregel zou diegenen die wettige bezwaren hadden tegen het voorgenomen huwelijk de gelegenheid moeten geven om hun bezwaren tijdig te kunnen uiten.

Het huwelijk moet voltrokken worden door de eigen priester in de woonplaats van één der huwelijkspartners

Om te voorkomen dat aanstaande bruidsparen uit angst voor bezwaarmakers naar een andere parochie of stad zouden gaan om daar ‘uit het zicht’ te trouwen, werd bepaald dat het huwelijk in de woonplaats van één van de beide aanstaande echtelieden moest plaatsvinden (later werd voorgeschreven dat dit bij voorkeur de woonplaats van de bruid was).

Er moesten buiten de priester minimaal twee getuigen zijn die met het huwelijk instemden

Dit gaf een minimale garantie dat ook de omgeving van beide huwelijkspartners akkoord gingen met het huwelijk

Het huwelijk moest vastgelegd worden in huwelijksregisters Huwelijken en voorgenomen huwelijken (de “ondertrouw”) moesten voortaan geregistreerd worden, zodat er papieren bewijs was van het (voorgenomen) huwelijk, waarin bij complicaties of bezwaren ook naspeuringen konden worden gedaan.

 

Daarnaast vereiste in de Lage Landen de wereldlijke overheid ook de toestemming van de ouders voor vrouwen onder de 20 en mannen tot 25 jaar.

 

Voorblad van het eerste trouwregister uit Amsterdam. Het dateert van 1565, ruim een jaar na de afgekondigde verplichting tot het bijhouden van trouwregisters. De trouwregisters bevatten overigens aanzienlijk minder informatie over de echtelieden dan de ondertrouwakten. Het oudste trouwregister in Nederland dateert overigens uit 1542 (Deventer).

 

Bron: Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Burgerlijke Stand: doop-, trouw- en begraafboeken van Amsterdam (retroacta van de Burgerlijke Stand), toegangsnummer 5001, inv. nr. 969, Trouwboeken van de Kerk, Oude Kerk, Paschen 1565- Klik hier voor een grotere weergave.

 

 

Reformatie: Goed voorbeeld doet goed volgen

In de jaren na het Concilie van Trente kregen de Protestanten in de Lage Landen toch de overhand. Toch bleken sommige maatregelen die de Katholieke kerk in Trente getroffen hadden, ook bij de Protestanten in goede aarde te vallen. Zo werden de maatregelen ten aanzien van de huwelijksafkondigingen en de (onder)trouwregisters vrijwel ongewijzigd van hun Katholieke voorgangers overgenomen. Uiteraard was nu niet de pastoor, maar de dominee de aangewezen persoon was om kerkelijke (en daarmee wettige) huwelijken te voltrekken, bijgestaan door de commissarissen voor huwelijkse zaken. Voor niet-protestantse huwelijken kon men terecht bij de burgerlijke autoriteiten (burgemeesters en schepenen); de afkondigingen van niet-Protestantse huwelijken vond dan ook niet in de kerk, maar op drie opeenvolgende zondagen voor het stadhuis (‘van de pui’) plaats en werden in aparte registers bijgehouden. Van alle (onder)trouwregisters te vinden in de Lage Landen zijn deze van Amsterdam uitzonderlijk rijk aan informatie. Niet alleen is het onderscheid tussen kerkelijke en niet-kerkelijke huwelijken vrij makkelijk te bepalen, maar ook leeftijden van bruid en bruidegom en het beroep van de man werden vaak opgetekend. Verder biedt ook de vermelding dat er al of niet consent door de ouders is gegeven aan het huwelijk waardevolle informatie. Dat dit bovendien bronnen zijn die 230 jaar aan ononderbroken informatie bevatten, is helemaal uniek. Met de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 werden uitsluitend de burgerlijke huwelijken nog als algemeen wettig erkend en kwam er ook een einde aan deze specifieke bron die centraal staat in het “Ja, ik wil!”-project.

 

 

 

Noten

[1] beschreven in de Bijbel (Handelingen 15, vers 1-35)

[2] J. Waterworth (ed./transl.), 1848. The Council of Trent. The canons and decrees of the sacred and oecumenical Council of Trent (London: Dolman), pp. 59-61 en 270. Engelse tekst online hier beschikbaar.

[3] Vierde Concilie van Lateranen, Caput 51 – De poene contrahentium matrimonial clandestine; Hoofdstuk 51 – Over de straf bij het sluiten van een clandestien huwelijk. Vertaling online hier beschikbaar.

[4] Concilie van Trente, Sessio XXIV - De clandestinitate matrimonium irritante; 24e Zitting - Decreet "Tametsi" - Canones over een hervorming van het Huwelijk. Vertaling online hier beschikbaar

[5] Zie voor de geschiedenis van Janne en Adriaen: Tine De Moor en Jan Luiten van Zanden, 2006. Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa (Amsterdam: Boom), p. 13 en Tine De Moor en Jan Luiten van Zanden, 2009. Girl power: the European marriage pattern and labour markets in the North Sea region in the late medieval and early modern period. The Economic History Review 63(1): 1-33.

 

 

terug naar Wist u dat...

terug naar hoofdpagina