Wist u dat...

'Uw vrouw is nog niet Rooms genoeg...'

 

'Mijn verloofde is niet Rooms genoeg': dat moet ongeveer de uitleg geweest zijn die de toen 24-jarige Hendrik Hol heeft gegeven aan mensen die hem vroegen waarom hij niet met zijn geliefde, de negen jaar oudere Jacoba de Beer mocht trouwen. Want hoewel beide partners serieuze trouwplannen hadden en zij zich daarom hadden laten intekenen in de ondertrouwregisters van Amsterdam, maakten de commissarissen van huwelijkse zaken korte metten met de trouwplannen van het koppel: volgens hun bevindingen is de bruid 'niet lang enoeg [sic] Rooms geweest'.

 

De eerste huwelijksintekening van het aanstaande echtpaar Hol-de Beer van 29 januari 1790 te Amsterdam. De aantekening in de linkermarge vermeldt dat per order van de commissarissen van huwelijkse zaken (in dit geval de heren Van Collen, Schuyt, en Bruijningh)  'deze geboden worden gerojeert omdat de bruyd Gereformeerd is geweest en nog niet lang enoeg Rooms is geweest'. Bron: Stadsarchief Amsterdam, Huwelijksaantekeningen van de pui, DTB 758, fo. 24. Klik op de afbeelding voor een groeter versie.

 

Maatregelen en voorwaarden om gemengde  huwelijken tegen te gaan volgens het plakkaat van 24 januari 1755

 

De beslissing van de commissarissen was waarschijnlijk gebaseerd op de verordeningen vermeld in een plakkaat van 24 januari 1755,  uitgevaardigd door de Staten van Holland, 'raakende de Huwelyken tusschen Gereformeerden en Roomschgezinden'. Het was de Staten van Holland immers duidelijk geworden dat er talrijke 'gemengde' huwelijken (d.w.z. huwelijken tussen een Rooms-Katholieke partner en een Protestantse (in die tijd aangeduid als Gereformeerde) partner) werden gesloten. Aangezien de overheid vreesde dat het uitblijven van overheidsmaatregelen opgevat zou kunnen worden

 

'...als of het voor een indifferente zaak zoude kunnen werden aangesien, dat Persoonen van de Gereformeerde Religie zig in Huwelyk begeeven met de Roomsche Religie, waar uit in het vervolg een indifferentie van Religie meer en meer te vreesen is, buyten dat uit zoodanige Huwelyken niet alleen veele twisten en oneenigheeden tusschen zoodanige Egtgenooten, derselver Kinderen en Huysgezinnen ontstaan, maar waar door ook komt te gebeuren, dat eenige, zoo niet alle de Kinderen, uit zoodanige Huwelyken gebooren, in de Roomsche Religie worden opgevoed, ja dat zelfs zulke Gereformeerde Egtgenooten door lastige aanhoudingen en vexatien van haar Roomschgesinde Mans of Vrouwen, en derselver aanhang, worden gepermoveert en verleid, om tot openbaare ergenisse, de waare Gereformeerde Religie te verlaaten, en zig te begeeven tot de Roomsche Religie'

 

werden in het plakkaat strikte maatregelen genomen om deze ontwikkeling zo veel mogelijk tegen te gaan. Gemengde huwelijken werden daarbij niet verboden, maar hadden wel ernstige consequenties voor de partners en moesten aan een aantal specifieke voorwaarden voldoen:

 

1. Verbod benoeming in en uitoefening van  ambten en bedieningen

Protestantse mannen die een Rooms-Katholieke vrouw trouwden kwamen niet meer in aanmerking voor benoeming in een publiek ambt of publieke betrekking ('bediening'), mannen die een dergelijk ambt of betrekking al vervulden, mochten dit niet langer meer uitoefenen. Voor vrouwen had deze maatregel per definitie geen effect, aangezien zij so-wie-so uitgesloten waren van benoeming in ambten en bedieningen

 

2. Verhoogde huwelijksleeftijd en toestemming familie nodig

Gemengde huwelijken tussen vrouwen en mannen onder de 26 jaar waren per definitie ongeldig; dit in tegenstelling tot niet-gemengde huwelijken, waarvoor de leeftijd van meerderjarigheid en daarmee zelfstandige beslisbevoegdheid tot het huwelijk voor vrouwen op 20 en voor mannen op 25 jaar lag. Gemengde huwelijken tussen partners van 26 jaar en ouder mochten enkel trouwen met toestemming van hun nog levende familie en verwanten; werd deze toestemming niet verleend, dan werd het huwelijk als ongeldig beschouwd. Ook bij niet-gemengde huwelijken werd door de commissarissen vaak gevraagd naar toestemming van de naaste verwanten, maar werd bij ontbreken van verwanten vaak volstaan met de mededeling dat er geen verwanten waren om toestemming te geven; of de commissarissen ook daadwerkelijk strenger opgetreden hebben tegen gemengde huwelijken waarbij geen toestemming afgegeven is vooralsnog onbekend. Opvallend genoeg melden de Amsterdamse commissarissen van huwelijkse zaken hierover niets bij de inschrijving van de 24-jarige Hendrik Hol; wellicht gingen zij er van uit dat met het verloop van de 'wachttijd' van de tot het Rooms-Katholicisme bekeerde bruid het probleem van de te lage leeftijd van de aanstaande bruidegom al vanzelf opgelost was.

 

3. Trouwbeloften gemengd huwelijk waardeloos

Zoals eerder beschreven was de trouwbelofte in het kerkelijk recht het feitelijke moment van trouwen en was de plechtigheid in de kerk of op het stadhuis slechts de formele bekrachtiging van deze trouw. Voor trouwbeloften gedaan tussen gemengde partners gold dit echter niet: hun trouwbeloften 'zullen zyn absolut kragteloos en zonder effect'. Het plakkaat bepaalde ook dat in juridische zaken (zoals zaken die in het kader van huwelijkskrakelen behandeld werden) de betrokkenen geen kracht konden laten gelden op beloften gedaan ten behoeve van een gemengd huwelijk. 

 

4. Niet trouwen in gemeenschap van goederen

Partners in gemengde huwelijken mochten niet in gemeenschap van goederen trouwen. daarnaast mochten zij ook geen maatregelen treffen om de partner langs een andere weg te laten genieten van het gezamenlijk bezit, bijvoorbeeld door middel van giften of lijfrentes.

 

5. Rooms-Katholiek gedoopte kinderen niet voortrekken op Protestants gedoopte kinderen

In het geval van gemengde huwelijken waarbij een deel van de kinderen Rooms-Katholiek gedoopt en een deel van de kinderen Protestants gedoopt was, mochten de ouders op geen enkele maniet hun Rooms-Katholiek gedoopte kinderen bevoordelen boven de Protestantse kinderen uit het huwelijk. In geval van twijfel moesten de betrokkenen de rechter een uitspraak vragen: in het geval de betreffende ouders hun Rooms-Katholiek gedoopte kinderen toch voorgetrokken bleken te hebben, moesten zij de benadeelde Protestants gedoopte kinderen het te kort gedane bedrag dubbel vergoeden.

 

6. Langere periode tussen ondertrouw en huwelijk

Bij niet-gemengde huwelijk volstond een afkondigingsperiode van minimaal drie opeenvolgende zondagen (dus minimaal zestien dagen); in geval van nood (zoals bij zeelieden die snel moesten vertrekken of in geval van ernstige ziekte van één van de partners) werd soms toegestaan twee afkondigingen op dezelfde zondag te laten plaatsvinden om daarmee de afkondigingsperiode met een week te verkorten. In het geval van gemengde huwelijken werd de periode tussen inschrijving echter aanzienlijk verlengd: dergelijke huwelijksafkondigingen werden namelijk niet wekelijs, maar één keer in de zes weken afgekondigd, waarbij expliciet vermeld werd dat het een zeswekelijkse afkonsdiging betrof. Desalniettemin moesten de aanstaande bruid en bruidegom wachten tot er drie afkondigingen (dus minimaal dertien weken) voorbij waren. En zelfs dan was het nog wachten geblazen: in het plakkaat werd namelijk eveneens verordonneerd dat het huwelijk pas zes weken na de laatste (onverhinderde) proclamatie gesloten kon worden: een aanstaand gemengd bruidspaar moest dus tussen de drie en vier maanden wachten voordat zij hun huwelijk konden laten sluiten. Deze wachttijd kan uitgelegd worden als een langere periode om bezwaarhebbenden hun bezwaren te laten uiten of wellicht als een 'bezinningsperiode' voor de aanstaande echtelieden, maar is waarschijnlijk grotendeels bedoeld om gemengde geliefden te ontmoedigen te trouwen.

 

Bekering als vluchtroute?

 

Met name met het oog op deze laatste bepaling leek het een oplossing om als Protestantse partner je dan maar te bekeren tot het Rooms-Katholieke geloof. De Staten van Holland hadden echter deze uitweg ook voorzien en geblokkeerd door te verordonneeren dat

 

'aan geene Persoonen, van wat jaaren of staat zy zouden mogen zyn, die de waare Gereformeerde Religie beleeden hebbende of dezelve toegedaan of daar in opgevoed zynde, dezelve zullen hebben verlaaten en tot de Roomsche Religie of eenige andere Gezintheid zullen zyn overgegaan, en vervolgens met Persoonen van de Roomsche Religie zig in Huwelyk zouden willen begeeven, eenige Huwelyksgeboden met Roomschgezinden zullen mogen werden gegunt, dan na verloop van een jaar, na dat zy de Gereformeerde Godsdienst verzaakt, en van het Roomsche Geloof of van dat van eenige andere Gezintheid professie gedaan zullen hebben gehad, waar van zy behoorlyk en vokldoende bewys zullen moeten vertoonen aan die geenen door welke de Geboden aangeteekent worden'.

 

Jammer genoeg laat de aantekening in de marge van de ondertrouwinschrijving uit 1790 niet blijken hoe lang Jacoba al Rooms-Katholiek is: in het doopboek van de Rooms-Katholieke Kerk 'T Boompje (de kerk waar ook later haar twee kinderen gedoopt worden) komt haar naam in 1789 en begin 1790 in ieder geval niet voor.

 

Ook de omgekeerde weg (bekering van een Rooms-Katholiek gedoopte bruid of bruidegom tot het Protestantisme) werd voor de geliefden afgessneden: het plakkaat vermeldt in de daaropvolgende alinea namelijk dat Rooms-Katholieken die zich om te kunnen trouwen als Protestanten voordoen, maar uiteindelijk toch als Rooms-Katholiek blijken te leven, dezelfde regels gelden als voor Protestanten die Rooms-Katholiek worden.

 

> Volledige tekst van het plakkaat van 24 januari 1755

 

Eind goed, al goed...

De inschrijvingen in de ondertrouwboeken van zowel kerk (links) als stadhuis (rechts); bij de beide inschrijvingen staat uitdrukkelijk vermeld dat deze geboden om de zes weken worden afgekondigd. Bij de inschrijving in het kerkregister wordt bovendien vermeld dat het hier een huwelijk betreft dat 'van de pui' afgekondigd werd, aangezien het immers een niet-Protestants stel betrof. Dat de ondertrouw van dit Rooms-Katholieke stel wel in het kerkelijk ondertrouwregister werd ingeschreven en hun voornemen mogelijk ook in de kerk afgekondigd werd zal te maken hebben gehad met de Protestantse voorgeschiedenis van de aanstaande bruidegom en eventuele bezwaren die mensen uit zijn Protestantse omgeving zouden kunnen hebben tegen het voorgenomen huwelijk. Klik op de afbeelding voor een grotere versie. Bron: Stadsarchief Amsterdam, Huwelijksintekeningen van de kerk, DTB 636, fo. 344 en Huwelijksaantekeningen van de pui, DTB 759, fo. 79.

 

Overigens bleken Jacoba en haar Hendrik volhardend in hun huwelijksvoornemen: op 23 september 1791 lieten zij hun ondertrouw opnieuw intekenen en van de pui afkondigen, alhoewel de tussentijdse geboorte van zoon Henricus, op 18 maart 1791 Rooms-Katholiek gedoopt in de Kerk 'T Boompje te Amsterdam, vermoedelijk een hoop heeft geholpen hun huwelijksvoornemen te volbrengen. Uit het huwelijk zou ook nog een dochter geboren worden, Theresia Maria, die op 16 juni 1793 eveneens in de Rooms-Katholieke kerk 'T Boompje ten doop gehouden werd.

 


Afbeelding van gezicht op het Spui met rechts de Rooms-Katholieke schuilkerk 'T Boompje, afgebeeld door Jan de Beijer in 1758 (klik op de afbeelding voor een grotere versie). De schuilkerk is het grote gebouw net rechts van de spits van de Regulierstoren (nu: Munttoren). Rooms-Katholieke kerken werden gedoogd door het Amsterdamse Protestantse stadsbestuur, mits de Rooms-Katholieke uitingen niet openbaar zichtbaar waren; schuilkerken zagen er daarom van de buitenkant vaak uit als woonhuizen. De kerk 'T Boompje, gewijd aan Sint Franciscus van Assisi werd begin twintigste eeuw verkocht aan Vroom en Dreesmann; op de plek van de kerk is nu ongeveer een ingang van het La Place restaurant van V&D. Later is aan de Admiraal de Ruyterweg in Amsterdam een nieuwe kerk gewijd aan Sint Franciscus van Assisi gebouwd, later ook bekend als de 'Boomskerk'; de oude gevelstenen van 'T Boompje alsmede een paar bouwelementen van de oude schuilkerk zijn in de gevel van de nieuwe kerk opgenomen. Copyright Stadsarchief Amsterdam.

 

En nu?

Hoewel de term 'gemengde huwelijken' tegenwoordig veel meer verwijst naar huwelijken tussen personen van verschillende etnische afkomst, geldt de term in het kerkelijk recht nog steeds. Het verbod op, of de weerstand tegen dergelijke huwelijken lijkt echter grotendeels verdwenen, zeker sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen de Rooms-Katholieke Kerk en de Protestantse kerken in Nederland huwelijken tussen gedoopten van verschillende religieuze Christelijke achtergronden kerkrechtelijk gezien mogelijk maakten en ontdeden van bijkomende complicaties. Daarentegen geldt volgens het Rooms-Katholiek kerkelijk recht nog wel steeds een verbod op een kerkelijk huwelijk tussen een Rooms-Katholiek gedoopte partner en een ongedoopte partner; hiervoor kan echter door de bisschop vrijstelling ('dispensatie') worden verleend, indien de Rooms-Katholieke partner voldoende kan aantonen dat met name het gezinsleven in de geest van de Rooms-Katholieke levensleer zal worden voortgezet.

 

 

 terug naar Wist u dat...

terug naar hoofdpagina