Case Studies - Guilds - The Netherlands

Case study: Carpenters guild, Gouda, The Netherlands (data in Dutch only)

   

Type of institution for collective action

Gilde

Name/description institution  

Schrijnwerkersgilde

Country 

Nederland

Region

Zuid-Holland

Name of city or specified area 

Gouda

Further specification location (e.g. borough, street etc.)

n.v.t.

Surface area and boundaries

n.v.t.

Foundation/start of institution, date or year

1485 (als deel van timmermansgilde); formele zelfstandigheid schrijnwerkersgilde vanaf 1615.

Foundation year: is this year the confirmed year of founding or is this the year this institution is first mentioned?

Oprichting van schrijnwerkersgilde als onderdeel timmermansgilde in 1485. In 1610 vroegen de schrijnwerkers een eigen gildenbrief aan; dit verzoek werd in 1615 gehonoreerd.

Foundation act present?

Ja.

Description of Act of foundation

Gildebrief (1615).De gildebrief is ook opgenomen in een boek met keuren van de verschillende gilden in Gouda. Hierin zijn nog meer actums en elucidaties uit de zeventiende eeuw opgenomen, die betrekking hebben op deze gildebrief.

Year of termination of institution

ca. 1693.

Year of termination: estimated or confirmed?

Na een verzoek tot hernieuwd samengaan in 1687 met het timmermansgilde en vervolgens een nieuwe afsplitsing in 1691 is het jaar 1693 vermoedelijk het jaar van opheffing geweest, omdat in dit jaar voor het laatst een gildebestuur van het schrijnwerkersgilde werd benoemd.

Act regarding termination present?

 

Nee.

Description Act of termination

N.v.t.

Reason for termination?

In 1687 werden de timmerlieden en de schrijnwerkers weer samengevoegd tot één gilde. Vervolgens werd in 1691 een aanvraag van de schrijnwerkers tot ‘separatie’ van het timmermansgilde gehonoreerd. Uiteindelijk kon het schrijnwerkersgilde deze zelfstandigheid niet behouden.

Recognized by local government?

Het gilde werd erkend door het stadsbestuur van Gouda middels de toekenning van de gildebrief.

Concise history of institution

In 1485 werd het schrijnwerkersgilde opgericht; het gilde vormde binnen het timmermansgilde een eigen afdeling. Binnen het gilde der schrijnwerkers waren ook de stoeldraaiers actief. In 1615 verkregen de schrijnwerkers zelfstandigheid middels de verstrekking van een gildebrief door het stadsbestuur van Gouda. Tussen 1615 en 1649 wist het schrijnwerkersgilde het aantal gildebroeders tussen de veertig en vijftig te houden. Met regelmaat kwamen er ook nieuwe meesters bij. 

 

Tussen 1649 en 1654 echter viel het aantal gildebroeders terug van 42 naar 28. Een mogelijke oorzaak van deze terugval kan de economische neergang zijn waar Gouda onder gebukt ging in de tweede helft van de zeventiende eeuw. In 1661 voegden de wieldraaiers zich verplicht bij het gilde.

 

Vanaf 1660 kwamen er steeds meer afspraken tot stand over welke werkzaamheden de schrijnwerkers en welke werkzaamheden de timmerlieden mochten uitvoeren. In 1675 mochten schrijnwerkers de timmerproef en timmerlieden de schrijnwerkersproef afleggen, zodat vanaf dat moment de twee ambachten elkaars ambacht konden uitvoeren. In 1683 telde het schrijnwerkersgilde nog 15 gildebroeders en werd het moeilijk om als schrijnwerkers nog een zelfstandig gilde te blijven vormen. Waarschijnlijk om die reden werd het gilde opnieuw samengevoegd in 1687 bij het timmermansgilde. In 1691 echter kende het Goudse stadsbestuur het schrijnwerkersgilde opnieuw zelfstandigheid toe. In 1693 verkoos het gilde voor het laatst hoofdmannen. Daarna werd het schrijnwerkersgilde opnieuw samengevoegd met het timmermansgilde.

Special events? Highs and lows? Specific problems or problematic periods?

De hoogtepunten en dieptepunten zijn hierboven al besproken. Door de economische neergang, in Gouda in de tweede helft van de zeventiende eeuw, was er ook minder werk voor handen in de stad. De stad bezat tussen 1615 en 1649, gerelateerd aan het totaal aantal inwoners, tussen 1615 en 1649, relatief erg veel meester-schrijnwerkers. Daarnaast is het bijzonder dat het schrijnwerkersgilde in Gouda geheel zelfstandig een gildebrief ontving. Deze zelfstandigheid van het ambacht is maar in weinig steden terug te zien in de zeventiende eeuw.

 

Het dieptepunt van het gilde is de enorme daling in de periode 1649-54, waarin het schrijnwerkersgilde een derde (14 van de 42) meesters verloor. In 1661 werden de wieldraaiers verplicht in het gilde opgenomen; dit verklaart de stijging van het aantal meesters in 1662. Uiteindelijk verliezen de schrijnwerkers de concurrentieslag van de timmerlieden en worden ze rond 1693 weer opgenomen in het timmermansgilde.

Membership

Numbers of members (specified)

 

 

  • 1693: schrijnwerkergilde gaat weer op in het timmermansgilde.
  • 1808: een lijst van meesters maakt melding van 3 schrijnwerkers binnen het gilde.

Membership attainable for every one, regardless of social class or family background?

Alleen meesters konden volwaardig lid van het schrijnwerkersgilde zijn.

Specific conditions for obtaining membership? (Entrance fee, special tests etc.)

Het meesterschap kon men bereiken door het succesvol afleggen van de meesterproef. Deze kon uitsluitend door poorters van de stad Gouda worden afgelegd. Indien de poorter geslaagd was voor de meesterproef, diende de nieuwbakken meester een ingangsgeld van twee (voor ingeboren poorters) of drie (voor Goudse poorters die van elders gekomen waren) gulden te betalen. Vervolgens betaalde elke meester een jaarlijkse bijdrage van zes stuivers ledengeld.

 

Leerlingen betaalden jaarlijks leergeld aan het gilde: voor 'ingeboren' leerlingen bedroeg dit leergeld zes, voor 'vreemde' leerlingen tien stuivers per jaar. De oudste zoon van de meester was overigens gevrijwaard van de betaling van leergeld.

Specific reasons regarding banning members from the institution?

N.v.t.

Advantages of membership?

Alleen diegenen die de meesterproef succesvol hadden volbracht, mochten schrijnwerkersprodukten maken of verkopen. De hoofdmannen van het gilde mochten de winkels van de kleerkopers controleren om te zien of deze niet illegaal schrijnwerkerproducten verkochten. Daarnaast mocht er geen schrijnwerk van buiten de stad worden verkocht in Gouda, zelfs niet op jaar- en weekmarkten. Dit betekende een goede bescherming van de lokale markt waardoor de bescherming van het gilde enkel door groepen binnen de stad kon worden doorbroken, zoals dat uiteindelijk door de timmermannen gedaan zou worden.

Obligations of members? 

Meester
  • De meester-kandidaat was verplicht om een meesterproef af te leggen en moest ingangsgeld betalen.
  • Elke meester betaalde elk jaar zes en vanaf 1636, acht stuivers gildegeld.
  • Een meester was verplicht aanwezig te zijn bij begrafenissen van gildeleden en gezinsleden van gildeleden.
  • Een meester mocht geen werk aannemen dat hij niet in de winkel kon maken.
  • Een meester kon niet tussentijds leerlingen of knechten wegsturen.

 

Leerling

  • Een leerling moest een traject afleggen van drie jaar voordat hij zijn leerlingschap kon afsluiten.
  • Een leerling mocht niet tussentijds weglopen bij een meester.
  • Een leerling betaalde jaarlijks vijf stuivers leergeld, een vreemde leerling tien stuivers; de oudste meester-zoon was vrijgesteld van deze betalingsplicht.

 

Knecht

  • Een knecht mocht niet tussentijds weglopen bij een meester.

 

Gildeknecht

  • Voor het gilde als geheel was een knaap actief die als gildeknecht werkte.
  • De gildeknecht had als taak om een goede prijs te bedingen voor partijen hout die het gilde kocht.
  • Tevens moest de gildeknecht de gildebroeders één dag voor de begrafenis oproepen voor het gebed.

Literature on case study

  • Abels, P.H.A.M. et al. (red.), 2002. Duizend jaar Gouda: een stadsgeschiedenis. Hilversum: Verloren. 
  • Goudriaan, K. et al. (red.), 1996. De gilden in Gouda. Gouda: Stedelijke Musea Gouda.

Sources on case study

  • Stadsarchief Midden Holland (SAMH)
    • Oud Archief Gouda (toegang 0001)
      • inv.nr. 93-109:  Memoriaal (register van aantekeningen) betreffende, later minuten van de resoluties (besluiten), verordeningen en beschikkingen van de burgemeesters en de magistraat, 1590 – 1794, 1590.
      • inv.nr. 2531: Gildebrieven van alle de gildens binnen de stad Gouda, Benevens de opgevolgde ampliaten en alteratien, in haer jaer-orde te samen gebragt, 1713, fo. 284-97.
    • Archief Gilden Gouda (toegang 0078)
      • inv.nr. 81: Gildebrief, 18 juli 1615, met ampliaties, 1636 en 1655.
      • inv.nr. 84: Aantekeningen van inkomsten en uitgaven, 1616-1685.
      • inv.nr. 85: Rekeningen van inkomsten en uitgaven over 1615/1616, 1617 (onvolledig), 1622, 1632, 1637, 1642, 1644, 1645, 1647, 1649, 1651, 1654-67, 1669–83. 

Links to further information on case study:

-

Case study composed by

Joost van Zuijlekom

 

 

 

> Back to overview of case studies