Case Studies - Guilds - The Netherlands

Case study: Carpenters guild, Leiden, The Netherlands (data in Dutch only)

   

Type of institution for collective action

Gilde

Name/description institution  

Kistenmakers- en schrijnwerkersgilde

Country 

Nederland

Region

Zuid Holland

Name of city or specified area 

Leiden

Further specification location (e.g. borough, street etc.)

n.v.t.

Patron Saint

Samen met de timmerlieden en wieldraaiers onderhielden zij het Jozefaltaar in de Peterskerk in Leiden. St. Jozef was daarmee ook de patroonheilige.

Surface area and boundaries

n.v.t.

Foundation/start of institution, date or year

In 1553 verkreeg het gilde een ordonnantie waar alle artikelen in stonden waar ze zich aan moesten houden. Daarvoor waren ze een onderdeel van het timmermansgilde.

Foundation year: is this year the confirmed year of founding or is this the year this institution is first mentioned?

Bevestigd stichtingsjaar, zie ook hierboven.

Foundation act present?

Ja.

Description of Act of foundation

Ordonnantie voor de kistenmakers (1553).

Year of termination of institution

1798. Zie ook hieronder.

Year of termination: estimated or confirmed?

Formele opheffing in 1798. Dit betekent niet dat de gilden hierdoor definitief waren opgeheven, zie ook hieronder. 

Act regarding termination present?

Ja. Zie ook hieronder.

Description Act of termination

Op 24 december 1798 werd een publicatie uitgegeven waarin stond dat de gilden werden opgeheven. Dit betekent niet dat de gilden hierdoor definitief waren opgeheven: op 9 mei 1803 wordt naar het besluit van 1798 verwezen.

 

Op 12 december 1806 wordt door de provisionele commissarissen van het voormalig schrijnwerkers en Spaanse stoelmakersgilde om instandhouding van beide gilden gevraagd.

 

Op 20 mei 1811 volgt een bekendmaking van de Maire, die in opdracht handelde van de prefect van het departement der monde van de Maas, dat de gilden moeten worden in stand gehouden in overeenstemming met de Wet van 30 januari 1808.

Reason for termination?

De nieuwe constitutie van 1798 hief alle gilden op.

Recognized by local government?

Het gilde werd erkend door de lokale overheid: in samenwerking met het stadsbestuur werden ordonnanties opgesteld dan wel gewijzigd.

Concise history of institution

Het kistenmakers- en schrijnwerkersgilde werd opgericht in 1553 en daarmee splitsten de kistenmakers en schrijnwerkers af van het timmermansgilde. In de eerste ordonnantie wordt met geen woord gerept over de schrijnwerkers maar aan de vastgestelde meesterproeven zoals het maken van een ‘tressoir’ (soort dressoir) en kabinet is af te lezen dat zij wel degelijk bij het gilde hoorden. In de ordonnantie van 1553 werden de meeste boetes of te innen gelden die ten deel vielen aan het gilde beschikbaar gesteld ten behoeve van het altaar. Ook wordt er gesproken over een verplichte maaltijd.

 

In de aangepaste ordonnantie van 1578 vallen de godsdienstige verplichtingen grotendeels weg. Het geld wat eerst ten goede kwam aan het altaar van het gilde komt nu toe aan het gilde zelf. Een andere regel die wegvalt is dat het samen eten niet langer wordt genoemd. In de aanhef van de ordonnantie van 1578 worden de schrijnwerkers ook genoemd.

 

In de zeventiende eeuw worden enkele kleine wijzigingen doorgevoerd in het gildenreglement. Daarnaast werd voor enkele ambachten toegang tot het gilde verplicht zoals voor de lijsten- en paneelmakers (1627), de ebbenhoutwerkers (1655), de stoofmakers (1664) en de Spaanse stoelenmakers (1674). Dit waren relatief kleine ambachten die binnen het ambacht nooit meer dan twee of drie meesters hebben gehad. Deze specifieke ambachten zijn overigens wel weer een vingerwijzing voor de bloei van de stad en de hoeveelheid werk die er te verrichten was in de zeventiende eeuw.

 

In 1744 diende Maria Ramaux een verzoek in bij het gerecht om de schrijnwerkerproef te veranderen. Ze vond de proef te ouderwets en stelde dat het product bij verkoop verlies opleverde doordat het onder de kostprijs moest worden verkocht. Het gerecht nam haar voorstel aan om voortaan het maken van een kabinet op te nemen als meesterproef.

 

In 1788 had het gilde nog dertig leden. Het is niet duidelijk of het hier alleen om meesters gaat of dat dit getal inclusief leerjongens en knechten is.

Special events? Highs and lows? Specific problems or problematic periods?

Voor het eind van de vijftiende eeuw zijn er gegevens over hoeveel schrijnwerkmeesters verdienden. Voor het jaar 1498 noemt de historicus Posthumus (NNNN) negen meesters die ‘belasting’ moesten betalen. Bij deze meesters wordt ook vermeld wat ze verdienden. Eén meester verdiende het bedrag van 1,400 gulden; uitgaande van een gemiddeld jaarinkomen van 150 tot 175 gulden was dit een vorstelijk bedrag. Twee andere meesters hadden een jaarinkomen rond het gemiddelde, namelijk respectievelijk 200 en 160 gulden. De verdiensten van de andere meesters waren: één maal 80 gulden, twee maal 16,5 gulden en 3 maal waren de verdiensten zo laag, dat er geen bedrag aangeslagen werd.

 

In de vermogensstatistiek van een eeuw later (1599) verdiende één schrijnwerker tussen de 3,000 en 4,000 gulden en één schrijnwerker zelfs tussen de 4,000 en 6,000 gulden. De algemene gegevens voor alle schrijnwerkers ontbreken hier echter .

 

In Leiden valt vooral op dat er weinig melding wordt gemaakt van onvrede tussen de verschillende ambachten. Dit lijkt nog een vingerwijzing te zijn voor voldoende werk waardoor de verschillende houtambachten elkaar niet hoefden te beconcurreren. Alleen in 1774 worden enkele wijzigingen aangebracht in de ordonnantie voor het schrijnwerkersgilde. Hierin wordt benadrukt dat niemand anders dan het schrijnwerkersgilde schrijnwerkproducten mag verkopen. Stoven, zoutvaten en ander klein goed zijn van dit verbod uitgesloten. Daarnaast is er toestemming om de winkels van ‘oude kleerkopers’ te controleren op nieuwe schrijnwerkproducten.

Membership

Numbers of members (specified)

Er zijn weinig specifieke getallen bekend over het aantal gildeleden. Een belangrijke bron om toch een indicatie te kunnen geven vormt de invenatrisatie van Posthumus over alle inkomende poorters vanaf 1365 tot in de achttiende eeuw. Uit deze inventarisatie wordt zichtbaar hoeveel poorters er voor elke periode Leiden binnenkwamen met het ambacht kistenmaker of schrijnwerker:

 

  • 1530-1575: ingekomen 6 kistenmakers en 9 schrijnwerkers
  • 1575-1615: ingekomen 4 kistenmakers en 22 schrijnwerkers
  • 1620-1699: ingekomen 1 kistenmaker en 33 schrijnwerkers

 

Daarnaast blijkt uit de voor die tijd zeer nauwkeurige volkstelling van 1581 dat er 4 kistenmakers en 12 schrijnwerkers en tevens 3 knechten in Leiden waren.

 

Als laatste zijn de cijfers voor 1788 bekend: in de gegevens van dat jaar wordt gesproken over 30 leden.

Membership attainable for every one, regardless of social class or family background?

Het lidmaatschap van het gilde was goed verwerfbaar voor buitenstaanders. Alleen een meester was volwaardig lid van het gilde en had daardoor ook veruit de meeste rechten en plichten. In 1578 was het ingangsgeld voor een meester twee pond; voor iemand die minder dan een jaar poorter was, bedroeg het ingangsgeld drie pond. Het lijkt er dus op dat er niet veel moeite werd gedaan om meesters van buiten Leiden buiten het gilde te houden: er werden immers voor toegang tot het gilde geen grote sommen geld voor 'vreemde' meesters geheven.

Specific conditions for obtaining membership? (Entrance fee, special tests etc.)

Om meester te worden moest een meesterproef worden afgelegd. In 1553 was dit een ‘tressoir’ of een buffet en een vierkante tafel of een trektafel. De aspirant-meester maakte dus in totaal twee proefstukken. In 1578 bestond de proef nog uit één stuk een trektafel of een vierkant buffet.

 

Daarnaast moest de kandidaat tien schellingen betalen voor de winkelhuur, de bezichtiging en de proef zelf. Het ingangsgeld was in 1553 20 stuivers en in 1578 2 pond. Voor meesters van buiten Leiden die minder dan een jaar poorter waren bedroeg het ingangsgeld de helft meer: in 1553  30 stuivers, in 1578 3 pond.

Specific reasons regarding banning members from the institution?

N.v.t.

Advantages of membership?

Alleen binnen het gilde mochten schrijnwerkersprodukten worden vervaardigd. Ook mochten er geen spullen van buiten worden ingevoerd door 'oude kleerkopers' of enig ander persoon. Dit zorgde voor een beschermde lokale markt voor de schrijnwerkers. Een ander voordeel was dat een meester, wanneer er een bijzonder groot werk te verrichten was of wanneer het arbeidsloon voor het gemaakte werk boven de 150 ponden lag,  extra knechten mocht aannemen, dit in overleg met de hoofdman.

Obligations of members? 

Meester
  • De meester-kandidaten legden een proef af om meester te worden
  • Een meester betaalde twee ponden ingangsgeld
  • Elke meester betaalde ieder jaar drie schellingen gildegeld
  • De meester mocht niet zomaar een knecht wegsturen
  • De meester mocht maximaal drie knechten in dienst nemen
  • 

Leerjongen

  • Een leerjongen was verplicht de minimale leertijd te doorlopen van twee jaar
  • Een leerling moest geld dat hij eventueel verdiende aan het gilde afdragen
  • 

Knecht

  • Een knecht mocht niet bij een meester weglopen
  • Een knecht moest, wanneer hij geld verdiende aan zijn arbeid, twee schellingen betalen per jaar: hiertoe werd elk kwartaal een halve schelling geïnd.

 

Voor de handhaving van alle regels van het schrijnwerkersgilde was er de functie van een knecht (een soort bode) die niet alleen entreegelden en boeten moest innen, maar ook overtredingen moest vaststellen en rapporteren aan het gildebestuur. Deze persoon werd betaald.

Literature on case study

  • Fock, C. W. 1984. Ambachtsman en gilde al wat blinkt en is geen goud. Rede: uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in de kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Leiden op vrijdag 29 juni 1984 door Dr. C. Willemijn Fock . Leiden.
  • van Maanen, R.C.J. et al. (red.). 2003. Leiden. De geschiedenis van een Hollandse stad II (1574-1795). Leiden.
  • Oostervoorde, J. C.. 1913. De Leidsche ambachtsbroederschappen (met name pp. 338-75).
  • Marsilje, J.W.. 1999. ‘Bestonden er in het middeleeuwse Leiden volwaardige gilden?’. In Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidskunde van Leiden en omstreken 91, pp. 49-58.

Sources on case study

  • Regionaal Archief Leiden
    • Stadsarchief II (toegang 0501A)
      • inv.nr. 120 (4C), Gerechtsdagboeken, rekest Maria Ramaux (1744) (fo. 234)
      • inv.nr. 132 (4P), Gerechtsdagboeken,  Ordonnantie op het schrijnwerkers en kistenmakersgilde (1774) (fo. 344)
    • Archief Gilden (toegang 0509)
      • inv.nr. 5, Stukken betreffende de gilden in het algemeen, 1300-1828
      • inv.nr. 10, Ontwerp-reglementen voor de verschillende gilden. Reglement op het ambacht der schrijnwerkers binnen de stad Leiden (jaar onbekend)
      • inv.nr. 2294, Verordening op het schrijnwerkers- en kistenmakersambacht (1578)

Links to further information on case study:

-

Case study provided by

Joost van Zuijlekom, Utrecht University ( edited by webmaster).

 

 

 

> Back to overview of case studies