Case Studies - Guilds - The Netherlands

Case study: Carpenters guild, 's-Hertogenbosch, The Netherlands (data in Dutch only)

   

Type of institution for collective action

Gilde

Name/description institution  

Schrijnwerkers-, draaiers-, kuipers- en rademakersgilde

Country 

Nederland

Region

Noord-Brabant

Name of city or specified area 

’s-Hertogenbosch

Further specification location (e.g. borough, street etc.)

Een gildenkamer of huis bezat het schrijnwerkersgilde niet. Er was in Den Bosch sprake van vrije vestiging voor gilden, zonder overheidsbemoeienis. De schrijnwerkers waren begin zestiende eeuw in alle delen van Den Bosch woonachtig.

 Patron saint

Sint Jan Evangelist (Sint Jan in de Olie), de Heilige Ursula en St. Joseph. In 1629 werden alle altaren met al het toebehoren uit de St. Janskerk verwijderd. In 1676 eiste het stadsbestuur na een conflict dat alle religieuze zaken uit het reglement werden geschrapt. Vanaf 1712 werd St. Jan in de Olie weer ieder jaar ‘de kerk’ ingebracht. Dit was waarschijnlijk een schuurkerk, vermoedelijk gevestigd in het huis van één van de dekens.

Surface area and boundaries

N.v.t.

Foundation/start of institution, date or year

1354

Foundation year: is this year the confirmed year of founding or is this the year this institution is first mentioned?

Jaar van het eerste keur dat bewaard is gebleven.

Foundation act present?

Ja.

Description of Act of foundation

Het eerste keur kent nog niet veel artikelen. De betaling van gelden en boetes in drieën aan respectievelijk gilde, stad en heer is al wel geregeld. Verder waren inkoop, verkoop, werktijden, de plicht tot het bijwonen van begrafenissen en de zorg voor zieke broeders al in de eerste regulering opgenomen.

Year of termination of institution

In 1798 werden de gilden formeel opgeheven, maar waarschijnlijk konden ze nog enkele jaren voortbestaan. In 1799 overlegden de gilden in 's-Hertogenbosch hun rekeningen aan de regering in 's-Gravenhage. Het gilde had tussen 1799 en 1805 een doorstart gemaakt als corporatie: in 1805 ontving het namelijk een reglement.

Year of termination: estimated or confirmed?

Formeel einde in 1798. Zie ook hierboven

Act regarding termination present?

 

Ja.

Description Act of termination

Publicatie van 5 oktober 1798 van het stadsbestuur waarin de gilden werden ontbonden in opdracht van de Bataafse overheid.

Reason for termination?

De nieuwe constitutie van de Bataafse Republiek van 1798 hief alle gilden op.

Recognized by local government?

Gilde werd erkend door het stadsbestuur. In samenspraak stelden beide partijen regels op die werden opgenomen in een keur voor het gilde.

Concise history of institution

Het stadsbestuur van 's-Hertogenbosch bestond uit drie groepen of 'leden': de schepenen, de raden en de leden. Onder de laatste groep vielen ook de Bossche gilden. De dekens van het schrijnwerkers-,  kuipers-, wieldraaier- en rademakersgilde namen daarom zitting in het derde lid. Door hervormingen werd de directe invloed via het derde lid al minder in 1525 en 1610 waarna de dekens vanaf 1629 uit de bestuursorganisatie werden geweerd. Dit betekende ook een verminderde invloed voor het gilde dat, opgericht in 1354, één van de oudste gilden van 's-Hertogenbosch was: het gilde bestond al ruim twee eeuwen voordat de timmerlieden en metselaars in 1566 een keur kregen toegewezen.

 

In 1797, het laatste jaar waar nog aantekeningen over zijn terug te vinden, werden er nog meerdere vergaderingen gehouden. Zo werd er twee maal vergaderd over het in stand houden van het gilde. Daarnaast werd ook twee maal vergaderd over het feit dat iemand van buiten het gilde schrijnwerkproducten had vervaardigd en hoe deze man te straffen. Er werd een vergadering belegd over wie namens het gilde als commissaris zou dienen om de vernietiging van de gilden tegen te gaan.

 

Ten slotte werden er twee vergaderingen belegd over de gildekist. In de eerste vergadering werden de spullen bekeken alvorens deze naar het stadsbestuur werden gebracht en twee maanden later werden de spullen weer opgehaald en aan de vergadering getoond. Hieruit blijkt dat er tot de definitieve opheffing van het gilde nog voldoende activiteit binnen het gilde was.

Special events? Highs and lows? Specific problems or problematic periods?

In de zeventiende eeuw vormde de invoer van schrijnwerkproducten van buiten de stad een probleem voor de positie van de Bossche schrijnwerkers. Dit probleem werd rond 1700 opgelost door de schrijnwerkers van 's-Hertogenbosch toe te staan voortaan producten van buiten de stad te verkopen.

 

In 1720/1 moet het gilde nog een behoorlijke omvang gehad hebben: in dat jaar 1720/1721 werd er namelijk in totaal 247 gulden uitgegeven door het gilde. Daarvan werd 70 gulden besteed aan sociale activiteiten op hoogtijdagen.

 

In 1727 wilden de schrijnwerkers zich samenvoegen met de timmerlieden omdat de schrijnwerkers moeite hadden ‘het hoofd boven water te houden’, vooral doordat ‘diversche Hollantse baase en knechts’, mensen van buiten de stad, het domein van het schrijnwerkersgilde betraden. In 1765 werden de reglementen van het schrijnwerkersgilde en het timmerliedengilde aangepast. Schrijnwerkers mochten vanaf dat moment alleen meubels vervaardigen en wat los werk verrichten.

 

Ondanks dat het gehele gilde dieptepunten kende, werden er in de jaren 1780 en 1790 ieder jaar voldoende nieuwe leden ingeschreven om het gilde eenvoudig te laten voortbestaan. Vanwege problemen van buitenaf werden de regels rondom de koop van partijen hout en het gebruik daarvan voor het gehele gilde veel strikter vastgelegd: op die manier kon een meester geen voordeel meer hebben van slimme inkoopmethodes.

Membership

Numbers of members (specified)

Er is moeilijk vat te krijgen op de omvang van het schrijnwerkerambacht binnen het gilde. In de meester-boeken worden elk jaar de namen genoemd van nieuwe meesters, leerlingen en stukwerkers (elders knechten of gezellen genoemd) maar geen cijfers over de totale omvang van het gilde. Een meester mocht vier stukwerkers in dienst hebben en eens per twee jaar een nieuwe leerling in dienst nemen. Het gilde was door de aanwezigheid van vier verschillende ambachten van behoorlijke omvang en het totale aantal meesters lag in 1553 op 64 meesters; dit aantal bleef waarschijnlijk zo hoog tot aan 1629, waarna het aantal meesters in de daaropvolgende periode terugzakte naar ongeveer 45 aan het einde van de zeventiende eeuw. Prak (1992) noemt voor 1775 een concreet getal wat betreft het ledenaantal voor het gehele gilde: 62 leden.

 

Membership attainable for every one, regardless of social class or family background?

Het lidmaatschap van het gilde was in principe voor iedereen bereikbaar. Voor een volwaardig lidmaatschap moest iemand echter meester zijn. De kosten om meester te worden stegen snel in de loop van de zestiende eeuw. Door de hoogte van de verschuldigde kosten voor de meesterproef en het betrekken van een winkel moesten veel leerlingen zich schikken in de rol van stukwerker.

 

De functie van deken van het gilde  werd in dezelfde eeuw moeilijker bereikbaar door een toegangseis, uitgevaardigd door Karel V in 1525:  om deken te kunnen worden diende men jaarlijks te beschikken over minimaal 50 rijnsgulden aan rente-inkomsten. Dit vereiste minimum impliceerde dat een aspirant-deken omgerekend een vermogen van 600 rijnsgulden diende te bezitten. Alleen renteniers en welgestelde klein-ondernemers kwamen daarom vanaf 1525 nog voor de positie van deken in aanmerking. Vanaf 1500 eigenden dekens zich overigens via veranderingen in de gilderegels zichzelf steeds hogere inkomsten toe. Families probeerden dan ook de functie binnen de familie te houden. De verkiezing verkreeg mede door de hoge eisen aristocratische trekjes en het derde lid in het stadsbestuur werd daardoor bijna volledig bezet door de bovenlaag van de bevolking.

Specific conditions for obtaining membership? (Entrance fee, special tests etc.)

Voor het verkrijgen van een volwaardig lidmaatschap moest er een meesterproef succesvol worden afgelegd. Deze meesterproef werd in 1422 ingevoerd binnen het gilde.Tussen 1509 en 1679 moest een meester, nadat hij de meesterproef goed had volbracht aan alle meesters, binnen het gilde een maaltijd voorzetten. Als meester moest je daarnaast tot 1575 in het bezit zijn van een harnas en een wapenuitrusting om de stad te kunnen verdedigen.

 

In 1679 werden de kosten voor de meesterproef opnieuw vastgesteld. Naast een onkostenvergoeding voor toezichthouders bij de proef, moest er ook geld aan de stad en de heer worden betaald. De totale kosten van de proef kwamen daarmee op 30 gulden. In de loop van de achttiende eeuw liep dit bedrag voor een meester die van buiten de stad kwam zelfs op tot 66 gulden. 

Specific reasons regarding banning members from the institution?

N.v.t.

Advantages of membership?

De beschermde afzetmarkt binnen Den Bosch, eerste keus bij de veiling van gereedschap van een overleden broeder en gezamenlijke inkoop van hout. Aan het eind van de achttiende eeuw werd er bovendien een regel ingevoerd die zorgde voor meer ondersteuning van weduwen van overleden meesters: iedere meester moest twee stuivers aan de weduwe geven.

Obligations of members? 

Meesters
  • Succesvol afgeronde meesterproef (ingevoerd in 1422 en bestaande uit twee werkstukken).
  • Tot 1575: het bezitten van een volledige wapenrusting.
  • Betaling van entreegeld, in de zestiende eeuw snel oplopend in hoogte en daarna verder oplopend tot een bedrag van 66 gulden voor meesters komend van buiten de stad in 1765. Dit bedrag werd over verschillende posten verdeeld. Niet alleen het gilde zelf werd betaald maar ook de dekens, het weeshuis en de diaconie.
  • Als een meester grondstoffen kocht, moest hij zijn ambachtsbroeders op de hoogte stellen zodat zij konden meedelen in de gekochte partij.
  • In 1779 werd bepaald dat een meester twee stuivers moest betalen aan de weduwe bij overlijden van een meester; tevens moest het lijk worden bezocht zonder dit als een traktatie te zien (zonder een maaltijd of drank daarbij te verwachten).

 

Leerlingen

  • De leertijd bedroeg drie jaar.
  • De leerlingen betaalden leergeld, in de zeventiende eeuw oplopend tot 42 stuivers.
  • De leerling mocht niet weglopen bij zijn meester.

 

Stukwerkers

  • Stukwerkers waren al vanaf 1422 verplicht om uitsluitend op de werkvloer van de meester te werken. Arbeid op andere plekken was verboden.

 

Alle leden

  • Iedereen moest zich aan de vooraf vastgestelde werktijden houden. Het klokgelui betekende het einde van de werkdag. Op zaterdag was de werktijd verkort en werkte het gilde tot de vesper (3 of 4 uur in de middag). In de zestiende eeuw mocht er langer worden doorgewerkt op zaterdag.
  • Tot 1548 moest de oude schrijnwerkertoren nog worden verdedigd door het gilde.
  • Er moesten blusemmers aanwezig zijn binnen het gilde.

Literature on case study

  • Blondé, B., 1987. De sociale structuren en economische dynamiek van ’s-Hertogenbosch 1500-1550 . Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland 74. Tilburg: Stichting Zuidelijk Historisch Contact.
  • Hoekx, J.H.M. en Paquay, V., 2004. Inventaris van het archief van de stad ’s-Hertogenbosch 1262-1810.’s-Hertogenbosch: Stadsarchief 's-Hertogenbosch. 
  • Prak, M., 1992. Een verzekerd bestaan; ambachtslieden, winkeliers en hun gilden in Den Bosch (ca. 1775). In: B.M.A. de Vries et al. (red.), De kracht der zwakken : studies over arbeid en arbeidersbeweging in het verleden : opstellen aangeboden aan Theo van Tijn bij zijn afscheid als hoogleraar Economische en Sociale Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht (Amsterdam: Stichting Beheer IISG), pp. 49-79. 
  • Van den Heuvel, N.H.L., 1946. Oud-Vaderlandsche rechtsbronnen. De ambachtsgilden van ’s-Hertogenbosch vóór 1629. Rechtsbronnen van het bedrijfsleven en het gildewezen I. Werken der vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht 3, nr. 13. Utrecht: Kemink.  
  • Vos, A., 2007. Burgers, broeders en bazen. Het maatschappelijke middenveld van ’s-Hertogenbosch in de zeventiende en achttiende eeuw. Hilversum: Verloren. 

Sources on case study

  • Stadsarchief Den Bosch
    • Oud Stadsarchief (toegang 001)
      • inv.nr. 3680: Protest van de kuipers tegen de controle van de keurmeester van het gilde om de kuipers te verstricken, 1698.
    • Archief Sociaal-cultureel welzijn (toegang 007)
      • inv.nr. 3: Ingekomen stukken en minuten van uitgegane stukken, 1798.
      • inv.nrs. 223-224: Besluiten, genomen op de vergaderingen,en notulen van de vergaderingen, 1723-1797.
      • inv.nrs. 226-227: Akte, waarbij de magistraat van de stad 's-Hertogenbosch aan het gilde een kaart geeft, 1354, 1378.
      • inv.nr. 231: Akte, waarbij de magistraat van de stad 's-Hertogenbosch aan het gilde een kaart geeft.,1679, 1768.
      • inv.nr. 232: Akte, waarbij de magistraat van de stad 's-Hertogenbosch aan het corpus een reglement geeft, 1805.
      • inv.nrs. 247-249: Lijsten met namen van meester, leerknapen en stukwerkers 1558-1805.
      • inv.nrs. 253-262, Rekeningen 1678/1795. 

Links to further information on case study:

 -

Case study composed by

Joost van Zuijlekom, Utrecht University

 

 

 

> Back to overview of case studies