Case Studies - Guilds - The Netherlands

Case study: Smiths guild, 's-Hertogenbosch, The Netherlands (data in Dutch only)

   

Type of institution for collective action

Ambachtsgilde

Name/description institution  

Smedengilde 's-Hertogenbosch

Country 

Nederland

Region

Hertogdom Brabant

Name of city or specified area 

's-Hertogenbosch

Further specification location (e.g. borough, street etc.)

-

Patron Saint of this institution 

Sint Eloy was de patroonheilige van de smeden in ’s-Hertogenbosch, net als van vele andere smeden in West Europa. Het altaar van sint Eloy bevond zich in de sint Janskerk. Hier werden missen opgedragen door priesters die door het gilde betaald werden. Ook werd de patroonheilige er vereerd, de leden van het gilde hoopten zo dat zij beschermd zouden worden door hun patroon. Tijdens de Beeldenstorm in 1566 werd ook de Sint Janskerk niet ongemoeid gelaten.

 

In 1629 werden de katholieke gewoonten van gilden aan banden gelegd door het stadsbestuur van ’s-Hertogenbosch, daarom werden de kerkelijke bezittingen van het smedengilde in 1632 verkocht. Het inventaris wat hiervoor gemaakt is in 1631 geeft inzicht in de bezittingen van het gilde. Onder de bezittingen waren een aantal beelden van de heilige Eloy, een beeld van Onze Lieve Vrouwe en van Sint-Adriaen.

Foundation/start of institution, date or year

(bef.?) 1302

Foundation year: is this year the confirmed year of founding or is this the year this institution is first mentioned?

Dit was het officiële stichtingsjaar. Het is zeer waarschijnlijk dat het gilde al eerder bestond, zij het zonder bekrachtiging van de lokale overheid en zonder keur.

Foundation act present?

Ja (GA, R.P.B (rood privilege boek) f. 84r-86v, transcriptie door A.H. van der Heuvel)

Description of Act of foundation

In de keur, gedateerd 21 november 1302, gaf Jan II, hertog van Brabant, zijn goedkeuring aan en consent over de statuten die door de smeden zelf waren opgesteld. Dit was het eerste keur dat aan een gilde werd gegeven in de stad ‘s-Hertogenbosch, waarmee het smedengilde officieel gezien het oudste was. In de keur waren de voorschriften van het gilde opgenomen.

Year of termination of institution

25 oktober 1798

Year of termination: estimated or confirmed?

Absoluut einde.

Act regarding termination present?

 

Ja (GAHT het archief van de smedengilden (115), 3, pagina 97).

Description Act of termination

In de archieven van ingekomen en uitgegane stukken van het gilde is de originele publicatie van de municipaliteit van Den Bosch te vinden. Hierin verlaart de muncipaliteit dat ‘kragtens publicatie van het uitvoerend bewind der Bataafse Republiek van den 5 oktober 1798, alle de binnen deze stad bestaan hebbende gilden, corporatien of broederschappen, van neeringen ambachten of Fabrieken, met alle den aankleven van dien worden ontbonden en vervallen verklaard.’

 

De dekenen, gezworenen, keur-meesters en andere bewinddragers van de gilden dienden zich op donderdag 25 oktober 1798, om drie uur s’middags, te melden bij de schepenen van de municipaliteit om daarfinaal te worden ontslaagen’.  
Dit betekende het officiële einde van de gilden, voor zover het om publiekrechtelijke bevoegdheden ging.

 

Veel gilden bleven bestaan, alleen vormden zij zich om tot privaatrechtelijke verenigingen, zo ook het smedengilde. De continuïteit van het gilde is dan ook te zien in het oprichten van het Sint Eloy gilde, een gezellenvereniging, in 1848.

Reason for termination?

Politieke hervormingen, opgelegd door het Bataafse bewind.

Recognized by local government?

Ja, de keuren die nu nog ingezien kunnen worden laten zien dat het gilde toestemming kreeg voor het wijzigen van zijn reglementen van het stadsbestuur; hieruit blijkt dat deze keuren slechts bekrachtigd werden door het stadsbestuur, het gilde opereerde dus grotendeels autonoom. 

 

In een oorkonde van de smeden uit 1428 wordt aangenomen dat de dekenen van het ambacht leden van het gilde mogen bekeuren. Een oorkonde uit 1471 voegt hier aan toe dat de dekenen de bevoegdheid hebben om leden te bestraffen voor begane overtredingen. Dankzij dergelijke bevoegdheden had het gilde uitvoerende macht en kon het leden daadwerkelijk verplichten de reglementen van de coöperatie na te leven.

 

Ook hadden de oude gilden in ’s-Hertogenbosch directe inspraak in het stadsbestuur, zij vormden het zogenoemde derde lid; hierin zaten door de gilden gekozen vertegenwoordigers van de zestien gilden. 

Concise history of institution

Het Bossche smedengilde heeft bestaan van 1302 tot 1798. In het gilde waren verschillende ambachten vertegenwoordigd die metaal bewerkten. De goud en zilversmeden hebben in s’-Hertogenbosch nooit deel uitgemaakt van het gilde. De zestien oudste gilden vormden in ’s-Hertogenbosch onderdeel van het stadsbestuur, hier maakte het smedengilde ook onderdeel van uit.

 

Het aantal vertegenwoordigers van het smedengilde schommelde in aantal door de eeuwen heen. In 1525 werd door Karel V besloten dat het aantal dekenen en het aantal gezworenen in het stadbestuur vast kwam te staan op twee. Het smedengilde bekleedde een bijzondere positie in ’s-Hertogenbosch; niet alleen was het het oudste gilde, het was tevens het meest gezaghebbend. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de rol die het gilde vervulde in het stadsbestuur. In ordonnaties uit 1525 en 1610 wordt aangegeven wat de volgorde van stemmen was in het stadbestuur, deze volgorde zou tevens de rangorde van de gilden representeren, van de 16 gilden in het stadsbestuur stonden de dekenen van het smedengilde op de eerste plaats. Vóór andere gilden hun stem konden uitbrengen mocht het smedengilde stemmen. De directe politieke invloed die de gilden uitoefenden op het stadsbestuur werd echter in 1629 beëindigd.

 

Het gilde vergaderde tijdens de morgenspraak, een algemene ledenvergadering. De dekenen stonden aan het hoofd van het gilde, zij leiden de vergaderingen en waren verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur en werden bijgestaan door de gezworenen. De gezworenen hadden een adviserende rol. De dekenen traden tot 1610 elk jaar in op Sint Eloy – 1 december –.

 

Wanneer wordt gekeken naar de algemene ontwikkeling van de gilden in ’s-Hertogenbosch kan worden gesteld dat de periode 1300 tot 1500 de bloeiperiode was. Gesteld wordt in het werk Bossche Bouwstenen dat juist vanwege de economische en politieke malaise die op dat moment heerste in de Lage Landen - en in het grootste deel van West-Europa - de ambachtsgilden bloeiden.

 

In de zestiende eeuw begon een periode van achteruitgang. Dit gold wederom voor het Bosse gildewezen in het algemeen; religieuze hervormingen werden doorgevoerd, waardoor veel oude structuren van gilden werden verbroken. Tevens kwam het bestuur in handen van Spaanse koningen, waardoor de beleidsvorming vanuit de overheid veranderde. De gilden protesteerden maar hun macht van verminderde, zij verloren dan ook hun directe politieke inspraak in het stadsbestuur.

 

In dit alles is 1629 een belangrijk jaar. Dit jaar vormde een definitieve breuk, de oude florerende traditie van de gilden op politiek, economisch en religieus vlak werd verbroken. Dit jaar staat ook wel bekend als de Reductie: een sprekende benaming.
In 1629 verdween het gilde definitief uit het stadsbestuur, dit was ook het jaar dat de katholieke gewoonten binnen de gilden verboden werden. 

Special events? Highs and lows? Specific problems or problematic periods?

Uit de voorschriften van het gilde kan worden opgemaakt dat er veel problemen waren met de interne concurrentiebestrijding; er moesten in de loop van de tijd steeds meer beroepsmatige voorschriften worden opgesteld voor de leden van het gilde. Leden dienden eerlijke concurrentie met elkaar te bedrijven, dit blijkt uit voorgeschreven werktijden, het recht van medekoop, de beperking van verkooptijden maar ook bijvoorbeeld uit de voorschriften rondom het te werk stellen van een knecht: zowel knechten als meesters dienden zich aan de gemaakte afspraken te houden. Dat concurrentie een probleem was zien we ook in de invoering van het meesterteken; dit was een merkteken waardoor controle op goederen makkelijker werd, en smeden meer op hun verantwoordelijkheden gewezen werden.

Membership

Numbers of members (specified)

De ledenaantallen zijn moeilijk te reconstrueren, en schommelden gedurende het bestaan van het gilde. Een aantal steekproeven zouden een beeld moeten geven van het verloop binnen het ledenaantal van het smedengilde. In 1648 werd een document opgesteld waarin alle meestertekens van het gilde zijn opgenomen, de hoeveelheid meesters dat hieruit kan worden opgemaakt bedraagt 65.

 

In de periode hierna kunnen aantallen worden ontleend aan de telling van meesters die tijdens vergaderingen kwamen, een aantal steekproeven toont de volgende aantallen over de achttiende eeuw: in 1737 waren er 18 meesters aanwezig, in 1747 25 en in 1754 26. Er waren dus aanzienlijk minder meesters in de achttiende eeuw.

Membership attainable for every one, regardless of social class or family background?

Om in aanmerking te komen voor meesterschap diende de aspirant-leerjongen in bezit te zijn van poorterschap. Dit valt terug te lezen in een keur van het smedengilde uit 1428. Dit zou een eis zijn van de overheid, die de werkgelegenheid in handen van de belastingbetalers wenste te houden.

Specific conditions for obtaining membership? (Entrance fee, special tests etc.)

De opleiding tot smid duurde twee jaar. Deze leertijd was echter niet absoluut, vaak duurde het leerproces langer dan er voor stond wanneer een leerjongen niet uit een smedenfamilie kwam. Was dit wel het geval, dan duurde de opleiding soms minder lang. Ook kon de leertijd worden verlengd om het aantal meesters in het gilde te beheersen. Om lid te worden van het gilde diende vervolgens entreegeld te worden betaald. Het bedrag hiervan verschilde per tijd, en per persoon.

 

In de tweede helft van de vijftiende eeuw werd de toegang tot het meesterschap bemoeilijkt, de doorstroom is minder vanzelfsprekend dan daarvoor. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de instelling van de meesterproef. Aan het einde van het leerproces diende de leerjongen een proef van bekwaamheid afleggen, deze proef zou moeilijker gemaakt worden naarmate het gilde minder meesters wilde toelaten.

 

Met het slagen voor de meesterproef kon een leerjongen officieel toetreden tot het gilde. Hier ging echter nog heel wat ritueel mee gepaard. Om te beginnen legde de kandidaat-meester een eed af, waarin hij beloofde naar de regels van het gilde te leven. Hierna volgde de installatie, waar alle gildebroeders bij aanwezig dienden te zijn. Er moest door de kandidaat een geldbedrag worden betaald, waarvan de hoogte wederom afhing van de tijd maar ook van de kandidaat, een meester-zoon betaalde minder dan een kandidaat van buitenaf. Ook diende de kandidaat tijdens deze installatie een maaltijd voor zijn nieuwe gildebroeders te verzorgen.

 

Bij de toetreding diende de nieuwe meester een wapenrusting aan te schaffen om mee te kunnen doen in de militaire verplichtingen van het gilde. Het gilde was tot het ontstaan en ontwikkelen van de schutterijen verantwoordelijk voor het verdedigen van haar stad. Eisen voor de wapenrusting van het smedengilde waren: ‘Pansier, ijseren of stalen hoet, een half curaets, beenpijpen, armpijpen, handschoen ende lappen’.

Specific reasons regarding banning members from the institution?

Nee.

Advantages of membership?

Het belangrijkste voordeel dat het gilde bood aan zijn leden was het beheersen van de markt; dankzij de gildedwang en de strenge reglementen kon het gilde controle uitoefenen over de metaalbewerkingindustrie van ‘s-Hertogenbosch. Het gilde bepaalde alle beroepsmatige zaken van de smeden, van de werktijden tot de verkoop voorwaarden.

Obligations of members? 

De belangrijkste verplichting is wellicht dat metaalbewerkingberoepen alleen mocht worden uitgevoerd indien men lid was van het betreffende gilde. Verder waren leden van het smedengilde verplicht zich aan allerlei voorschriften te houden, het aantal hiervan nam flink toe in de loop van de eeuwen: bij de oprichting van het gilde in 1302 waren er nog maar 11 voorschriften, in een keur uit 1541 waren het er al 36. Opvallend is de veelzijdigheid van de reglementen. Het gilde schreef leden allerhande zaken voor: gedragsregels op vergaderingen, beroepsmatige, maar ook religieuze voorschriften.

In de keur uit 1302 staat dat in geval van oorlog de smeden verplicht zijn er met hun bannier op uit te trekken. Pas aan het einde van de veertiende eeuw werd deze plicht minder van belang vanwege de opkomt van de schuttersgilden.Religieuze verplichtingen waren bijvoorbeeld dat de leden elke week het werk op zaterdag eerder staakten en zondags naar de mis gingen. Ook op religieuze feestdagen –de zogenoemde vigilie dagen- staakten de smeden het werk en gingen ze gezamenlijk naar de kerk. Tevens waren leden verplicht begrafenissen en dopen te attenderen.

De belangrijkste verplichting is wellicht dat metaalbewerkingberoepen alleen mocht worden uitgevoerd indien men lid was van het betreffende gilde. Verder waren leden van het smedengilde verplicht zich aan allerlei voorschriften te houden, het aantal hiervan nam flink toe in de loop van de eeuwen: bij de oprichting van het gilde in 1302 waren er nog maar 11 voorschriften, in een keur uit 1541 waren het er al 36. Opvallend is de veelzijdigheid van de reglementen. Het gilde schreef leden allerhande zaken voor: gedragsregels op vergaderingen, beroepsmatige, maar ook religieuze voorschriften.

In de keur uit 1302 staat dat in geval van oorlog de smeden verplicht zijn er met hun bannier op uit te trekken. Pas aan het einde van de veertiende eeuw werd deze plicht minder van belang vanwege de opkomt van de schuttersgilden.

Religieuze verplichtingen waren bijvoorbeeld dat de leden elke week het werk op zaterdag eerder staakten en zondags naar de mis gingen. Ook op religieuze feestdagen –de zogenoemde vigilie dagen- staakten de smeden het werk en gingen ze gezamenlijk naar de kerk. Tevens waren leden verplicht begrafenissen en dopen te attenderen.

Literature on case study

  • van den Heuvel, A. H., 1946. De ambachtsgilden van s'-Hertogenbosch vóór 1629. Utrecht: Kemink.         
  • van den Heuvel, A.H., 1946. De ambachtsgilden van 's-Hertogenbosch vóór 1629. Rechtsbronnen van het bedrijfsleven en het gilde. Rechtsbronnen van het bedrijfsleven en het gilde wezen. Utrecht: Kemink.
  • Prak, M., 1992. 'Een verzekerd bestaan'. Ambachtslieden, winkeliers en hun gilden in Den Bosch (ca. 1775). In: B. de Vries en T. van Tijn, eds, De kracht der zwakken: studies over arbeid en arbeidersbeweging in het verleden opstellen aangeboden aan Theo van Tijn bij zijn afscheid als hoogleraar Economische en sociale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Amsterdam: Stichting Beheer IISG, pp. 448.
  • Vos, A., 2007. Burgers, broeders en bazen: het maatschappelijk middenveld van's-Hertogenbosch in de zeventiende en achttiende eeuw. Hilversum: Uitgeverij Verloren.
  • Vos, A., 2001. Verdwenen gildenaltaren. Bossche Bladen, 3, pp. 86-90.

Sources on case study

  • Stadsarchief Den Bosch (GAHT) archief van het smedengilde 115, inventarisnummers: 1, 2, 3, 4, 25, 25 en 26
  • GAHT, Oud archief gemeente ’s-Hertogenbosch (OSA): R.P.B (rood privilege boek) f. 84r-86v: Oprichtingsdocument. 

Links to further information on case study:

Current case study composed by:

Winny Bierman, Utrecht University

 

 

 

> Back to overview of case studies