Case Studies - Guilds - The Netherlands

Case study: Chirurgeons guild, Utrecht, The Netherlands (data in Dutch only)

 

Type of institution for collective action

Gilde

Name/description institution  

Chirurgijnsgilde

Country 

Nederland

Region

Utrecht

Name of city or specified area 

Utrecht

Further specification location (e.g. borough, street etc.)

Het huis Keijserrijck op de hoek van de Ganzenmarkt en Oudegracht (vanaf 1670). In de Buurkerk hadden ze een altaar en eigen begraafplaatsen. Deze waren voor meester-chirurgijns en hun echtgenotes.

 

Ganzenmarkt met het huis Keijserrijck (midden) in 1756 (klik op afbeelding voor grotere versie)

Bron: Het Utrechts Archief

Patron saint

Cosmas & Damianus. 27 september was de patroonheiligedag.

Surface area and boundaries

 -

Foundation/start of institution, date or year

Al in 1463 wordt het Chirurgijnsgilde vermeld als een min of meer zelfstandig onderdeel van het wandsnijdersgilde. In 1545 worden ze formeel erkend.Tot 1607 ressorteerden de chirurgijns onder het wantsnijdersgilde.

Foundation year: is this year the confirmed year of founding or is this the year this institution is first mentioned?

Zie hieronder.

Foundation act present?

Nee, wel een ordonnantie uit 1607 met daarin de splitsing. In het gildeboek staan 32 artikelen die hierbij horen.

Description of Act of foundation

Zie bovenstaande.

Year of termination of institution

In 1798 werden de werkzaamheden van het gilde overgedragen aan provisionele commissarissen. Zij beheerden de goederen en fondsen van het gilde. Deze droegen deze taak weer over aan de Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht in 1804. De definitieve opheffing vond plaats in 1818.

Year of termination: estimated or confirmed?

Bevestigd.

Act regarding termination present?

Nee.

Description Act of termination

-

Reason for termination?

De Bataafse constitutie van 1798.

Recognized by local government?

Ja. Er werd toezicht gehouden door de vroedschap bij examens en er werden stadsdoktoren uit het gilde aangewezen.

Concise history of institution

Chirurgijns en barbiers vielen altijd onder het wantsnijdersgilde (lakenkoopmannen). De scheiding tussen chirurgijns en barbiers was lange tijd vaag. Er vonden examens plaats, maar tot het einde van de vijftiende eeuw waren deze examens niet echt goed geregeld. De eisen van bekwaamheid en kennis waren niet of onvoldoende vastgelegd en er was geen scherpe scheiding tussen kwakzalver en heelmeester. Zo waren er veel barbiers die zich bezighielden met aderlatingen e.d. In 1607 splitsten de chirurgijns zich af van de wantsnijders.


Tot 1607 hielden de wantsnijders toezicht op de meestersproef, maar met de ordonnantie van 1607 werden er niet alleen regels opgesteld omtrent het nieuwe gilde, maar ook omtrent het examen. Leerlingen moesten een leerbrief meebrengen naar het examen waaruit bleek dat ze minimaal 2 jaar bij een leermeester gewoond hadden. De proeveling moest drie lancetten (chirurgische messen) maken en twee kannen wijn betalen. De twee kannen wijn werden later vervangen door 15 gulden voor instrumenten in plaats van maaltijden. Als een chirurgijn de proef niet haalde, kreeg hij soms de mogelijkheid het later opnieuw te proberen. Als hij dit binnen korte tijd deed hoefde hij dan niet weer de leges te betalen. De chirurgijns werden na het behalen van hun examen en het betalen van gildegeld ingeschreven bij het gilde.


Vroedvrouwen stonden lange tijd los van het chirurgijnsgilde, maar vanaf 1739 werden ze aan een examen onderworpen. Na het succesvol afleggen van dit examen mochten ze hun ambt uitoefenen en werden ze ingeschreven bij het gilde. Zij hadden niets van doen met de bestuurlijke onderdelen van het gilde.

 

Vanaf 1772 waren chirurgijns ook verplicht een examen in de vroedkunde af te leggen. De proef bestond uit het verlossen van vier vrouwen van een levendig kind en het betalen van een halve zilveren ducaat en 12 guldens. Toezicht hierop werd gehouden door vier gecommitteerden van de vroedschap, twee stadsdoktoren (uit het Collegium Medicum) en drie tot vijf chirurgijns.

Het bestuur van het gilde bestond uit twee dekens, twee proefmeesters en één busmeester.

Special events? Highs and lows? Specific problems or problematic periods?

-

Membership

Numbers of members (specified)

Ten plattelande zijn er tussen 1728 en 1792 159 chirurgijns geëxamineerd en ingeschreven bij het gilde. Vanaf 1739 werden ook vrouwen geëxamineerd voor hun uitoefening van de vroedkunde. In totaal zijn er tussen 1739 en 1792 75 vrouwen ingeschreven bij het gilde. Vanaf 1772 werd voor chirugijns een examen in de vroedkunde verplicht gesteld.

Membership attainable for every one, regardless of social class or family background?

Je moest aan kunnen tonen burger (borger) van de stad te zijn en een examen afleggen. Vreemdelingen konden toegelaten worden na aangetoond te hebben in een andere stad werkzaam te zijn geweest als chirurgijn.

Specific conditions for obtaining membership? (Entrance fee, special tests etc.)

Het gildegeld voor een gildezoon was vijf gulden, voor een borgerszoon zes gulden en voor een vreemdeling tien gulden. Om leerjongen te worden moest je twee gulden betalen aan het gilde en twee stuivers aan de bode van het gilde. Chirurgijns moesten een examen afleggen.

Specific reasons regarding banning members from the institution?

Nee.

Advantages of membership?

Het examen zorgde ervoor dat chirurgijns een zekere deskundigheid bezaten, maar het grootste voordeel was bescherming van de stad en het gilde. Reizende meesters en kwakzalvers mochten hun beroep niet uitoefenen of moesten een deel van hun inkomsten afstaan. Weduwen mochten een jaar lang na het overlijden van hun man het gilde gebruiken zoals hun man dat deed. Wel moesten ze een knecht in dienst hebben, die daartoe geëxamineerd was. Meestal mochten ze alleen knippen en scheren.

Obligations of members? 

De leden moesten aanwezig zijn bij elkaars begrafenissen, op straffe van een boete van vier stuivers bij afwezigheid (tenzij ze ziek of ‘buiten’ (buiten de stad) waren). Men kreeg een boete van zes stuivers als ze niet op de vergadering verschenen en een boete van drie stuivers wanneer ze te laat kwamen. De voorzitter (Praeses) moest bij overtredingen dubbele boetes betalen. Vrouwen moesten acht jaar lang na het afleggen van hun examen in de vroedkunde lessen volgen bij de Praelector.

Literature on case study

  • van Andel, M.A., 1946. Chirurgijns, vrije meesters, beunhazen en kwakzalvers – De chirurgijnsgilden en de practijk der heelkunde (1400 – 1800). Amsterdam: P.N. van Kampen en zoon N.V. 
  • Bennink, L., 1972. De ontwikkelingen in het ambt van vroedvrouw in de 18e eeuw in de Nederlanden
  • Geijl, A., 1911-1912. 'Beschouwingen en mededeelingen over vroedvrouwen uit de 15de tot en met de 18de eeuw', Medisch weekblad 18, pp. 227-31.
  • Maaskant, J., 1996. Praktijk en privé. Utrechtse chirurgijns en hun gilde in de achttiende eeuw, Utrecht University.  

Sources on case study

  • Het Utrechts Archief, Archief Gilden (toegang 708-1)
    • inv.nr. 101, Gildeboek der Chirurgijns, 1629-1692 
    • inv.nr. 102, Gildeboek der Chirurgijns, 1607-1750 
    • inv.nr. 103, Gildeboek der Chirurgijns, 1607-1798 
    • inv.nr. 104, Naamregister van de overlieden en de leden van het Chirurgijns-gilde, 1740-1803 
    • inv.nr. 105, Naamregister van de leerjongens, knechts en proevelingen van het Chirurgijns-gilde, 1740-1804 
    • inv.nr. 107.1, Resolutieboek van het Collegium medico-chirurgicum 1740-1766 
    • inv.nr. 107.2, Resolutieboek van het Collegium medico-chirurgicum 1783-1803 
    • inv.nr. 108, Register der chirurgijns en vroedvrouwen ten platten lande 1734-1792 
    • inv.nr. 109, Ingekomen stukken bij Gecommitteerden tot het Chirurgijns-gilde, 1728-1798 
    • inv.nr. 110, Requesten van het Chirurgijns-gilde aan de Vroedschap 
    • inv.nr. 112, Rekenboek van het Chirurgijns-gilde, 1739-1805

Links to further information on case study:

-

Case study composed by:

Corien te Brummelstroete, Utrecht University

 

 

 

> Back to overview of case studies