Case Studies - Guilds - The Netherlands

Case study: Smiths guild, Utrecht, The Netherlands (data in Dutch only)

   

Type of institution for collective action

Ambachtsgilde

Name/description institution  

Smedengilde van Utrecht

Country 

Nederland

Region

Utrecht

Name of city or specified area 

Utrecht

Further specification location (e.g. borough, street etc.)

De leden waren gevestigd in en rondom de Smede Steghe, waar zij zich aan de buitenrand van de stad bevonden. De smeetoren was aan dit deel van de stad gekoppeld, dit zou betekend kunnen hebben dat de smeden verantwoordelijk waren voor het verdedigen van dat deel van de stadsmuur.

Patron Saint of this institution 

Sint Eloy. Het altaar van de patroonheilige bevond zich in de Buurkerk, hier vonden de wekelijkse missen plaats. De smeden herdachten hun schutter op 1 december, zijn sterfdag en op de dag van de verheffing van zijn relieken, op 25 juni. Op deze dagen vonden hoogmissen plaats. Er werden processies gehouden, de gildekaars werd op het altaar gezet en wanneer de vespers gezongen was las de priester de legende van de patroonheilige voor. Hierna was het tijd voor een maaltijd voor alle gildeleden, en voor een vat bier, dat door de busmeester en oudermannen ter beschikking werd gesteld.

Foundation/start of institution, date or year

Het exacte stichtjaar van het gilde der smeden is niet bekend. Er zijn aanwijzingen waaruit blijkt dat het smedengilde al in de dertiende eeuw bestond. De oude gilden van Utrecht kregen in 1304 erkenning middels een rechtsdocument dat de gildenbrief   wordt genoemd. Dit is het eerste vindbare bewijs van het bestaan van het smedengilde. In dit document stellen de gilden van Utrecht een aantal eisen aan de bisschop en de patriciërs van Utrecht betreffende de indeling van het stadsbestuur. De eisen werden door de bisschop ingewilligd blijkens een oorkonde in 1305. De oudermannen van de gilden van Utrecht kregen middels de brief inspraak in het stadsbestuur. Een tweede gildebrief uit 1341 bevestigde de positie van de gilden. De eerste ordonnantie van de smeden stamt uit 1430.

Foundation year: is this year the confirmed year of founding or is this the year this institution is first mentioned?

Zie hierboven.

Foundation act present?

Nee.

Description of Act of foundation

-

Year of termination of institution

Het Bataafse bewind verplicht stadsbesturen in Lage Landen om de gilden af te schaffen. In Utrecht gebeurde dit middels een ordonnantie van het gemeentebestuur op 8 oktober 1798, hierin werden de Utrechtse gilden opgedragen zich te ontbinden.

 

Op 23 november 1798 vond de overdracht van het bodewapen van het gilde aan het stadsbestuur plaats; dit betekende het einde van het gilde.

Year of termination: estimated or confirmed?

Absoluut einde.

Act regarding termination present?

 

Ja.

Description Act of termination

Het Utrechts Archief zou een document in haar bezit hebben waarin de provisionele commissarissen van de opgeheven gilden verklaren dat zij het rekenboek en het bodewapen van het smedengilde hebben ontvangen, naar aanleiding van de ordonnantie van het stadsbestuur, waarin de gilden worden gedwongen zich op te heffen, uit 1798. Helaas bevond dit document zich niet in het aangegeven archiefstuk, het Utrechts archief is er momenteel naar op zoek.

Reason for termination?

Politieke hervormingen, opgelegd door het Bataafse bewind.

Recognized by local government?

Het gilde had tot 1528 inspraak in de stadsregering. De oudermannen representeerden het gilde in het stadsbestuur. De ordonnanties die door het gilde zelf werden opgesteld tijdens ledenvergaderingen werden door het stadsbestuur bekrachtigd. 

Concise history of institution

Het Utrechtse smedengilde heeft bestaan van de dertiende eeuw tot 23 november 1798. Het gilde bestond uit leden die werkzaam waren in verschillende metaalbewerkingambachten, maar ook uit leden die handelden in steenkool. Ambachten waren bijvoorbeeld: messenmakers, klokkenmakers, grofsmeden, slotenmakers en geweermakers.

 

Alle lieden die in Utrecht werkzaam waren in de metaalnijverheid waren verplicht zich aan te sluiten bij het smedengilde, een dergelijke regeling wordt ook wel gildedwang genoemd. Het goud- en zilversmedengilde scheidde zich in 1597 af.

 

De afzetmarkt voor de gilden was lokaal, dit gold voor de meeste handwerkslieden, en supralokaal, vooral de makers van wapens produceerden voor de export.

 

Het bestuur van het smedengilde was ingericht zoals bij de meeste gilden in de late middeleeuwen. Het gilde had als functionarissen twee dekens, een busmeester en een bode. Over belangrijke beslissingen werd door het gilde gestemd tijden de ‘morgenspraak’. Aanwezigheid hierbij was verplicht voor alle leden.

 

De stad Utrecht werd in 1528 aan Karel V overgedragen, hierdoor veranderde er een hoop voor de gilden. De gilden verloren namelijk hun politieke rol, zij mochten ook niet meer vergaderen zonder stedelijk ambtenaar, de militaire verdediging kwam in handen van de burgervendels, opgesteld op basis van verschillende delen van de stad. Ook de militaire taak van de gilden was dus beëindigd. In het jaar 1580 werd onder invloed van de Reformatie de rooms-katholieke eredienst verboden door het stadsbestuur, de gereformeerde kerk was de enig toegestane kerk. Het broederschap van St. Eloy werd opgeheven, de missen en altaardiensten werden verboden. 

 

In de ordonnantie van de smeden in 1636 is duidelijk te merken dat het gilde veel van zijn bestuurlijk macht heeft verloren. Zo staat er in item 23 dat de dekens van het gilde alleen nog boetes mogen heffen met toestemming van ‘den schout’. De dekenen moeten voortaan jaarlijks rekening afleggen waarbij de opgegeven boeten worden gecontroleerd, zodat het stadsbestuur zeker wist dat haar deel werd overgedragen.

Special events? Highs and lows? Specific problems or problematic periods?

Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw ging het minder met het gilde. Er was sprake van een terugloop in het aantal leden. Ook liepen de inkomsten van de gildeleden terug. Dit valt bijvoorbeeld terug te lezen in een resolutie van het stadsbestuur uit 1673: hierin krijgt het gilde toestemming geen gildemaaltijd te houden, om zo geld uit te sparen.

 

Uit de voorschriften van het gilde kan bovendien worden opgemaakt dat er veel problemen waren rondom de beheersing van interne concurrentie; er moesten in de loop van de tijd steeds meer beroepsmatige voorschriften worden opgesteld voor de leden van de gilden, tevens werd in de zeventiende eeuw het meesterteken voor bijna alle ambachten in gebruik genomen. Dit zou kunnen worden gezien als een extra controlemiddel voor zowel consumenten als smeden op de kwaliteit van de geleverde producten.

Membership

Numbers of members (specified)

De omvang van het gilde is vanwege veel redenen moeilijk te bepalen. Zo was de omvang tijdgebonden en ontbreken er veel gegevens. Gerard Ritter heeft in zijn dissertatie geprobeerd een goed beeld te geven van de omvang van het gilde. Het probleem omtrent afwezigheid van bronnen speelt met name in de periode voor 1569. In dit jaar moesten gilden op last van de stad Utrecht een ledenlijst indienen. Uit deze lijst blijkt dat het gilde 216 leden telde. Echter, in 1597 scheidde de goudsmeden zich af van het smedengilde, waardoor dit aantal op 182 zou komen. Een tweede lijst werd opgesteld in 1650. Hierin werden 268 leden geteld. Ritter heeft tevens een schatting kunnen maken van het aantal leden van het gilde in 1793. In dat jaar werd door de staat een honderdste penning geheven, waardoor belasting gegevens bewaard zijn gebleven van de inwoners van Utrecht. Hieruit zou blijken dat er 170 tot 200 personen lid waren van het smedengilde.

 

Er zijn wel toereikende gegevens bewaard gebleven over de toetreding van nieuwe leden binnen het gilde. Dit is volgens Ritter niet verwonderlijk, gezien het feit dat toetredingsgeld de voornaamste inkomensbron van het gilde was. Uit de gegevens van de aanwas kan worden opgemaakt dat het gilde een snelle groei doormaakte tot het midden van de zeventiende eeuw. Dit was de bloeiperiode van het gilde.

 

Hierna nam de groei af, in meerdere of mindere mate tot de opheffing van het gilde.

Membership attainable for every one, regardless of social class or family background?

Lidmaatschap was beperkt tot burgers, er moest bij intrede een bewijs van burgerrechten worden overlegd, wanneer iemand – van buiten de stad bijvoorbeeld –- deze niet bezat, konden burgerrechten gekocht worden.

Specific conditions for obtaining membership? (Entrance fee, special tests etc.)

Om lid te worden van het gilde moest worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Een leerkind moest een gouden Koervorster Rijnsgulden betalen, hiervoor zou hij onder een meester worden geplaatst om het vak te leren. Tevens moest aan een leerperiode van twee jaar worden voldaan, kinderen van meesters waren echter vrijgesteld van leergeld en de leerjaren eis gold voor hen niet. Deze voorwaarden waren er met name op gericht bepaalde groeperingen van het gilde uit te sluiten. Volgens Nicco Slokker ging het hierbij om het uitsluiten van: vrouwen, joden en bastaarden. De training richtte zich vooral op burgers, met name op zonen van meesters. Om het gilde binnen te komen moest vervolgens nog entreegeld worden betaald, in 1503 bedroeg dit 3 gouden Rijnse guldens. Ook hiervan waren meester-zonen vrijgesteld, zij konden het gilde tegen gereduceerd tarief van hun vader overnemen.

Specific reasons regarding banning members from the institution?

Nee.

Advantages of membership?

Voor een aantal beroepen was het tevens een voorwaarde om tot het gilde te worden toegelaten dat de meesterproef succesvol was afgelegd. Vanaf de zeventiende eeuw werd de proef voor verschillende ambachten ingesteld, daarvoor was de proef alleen noodzakelijk bij de edelsmeden en messenmakers.

 

Toetreding in het smedengilde was vanwege de gildendwang in Utrecht een noodzaak voor diegenen die wilden werken in de metaalnijverheid. Tevens kon het gilde een aantal voordelen bieden, met name door de markt van smeedgoederen te beheersen.

 

De bekwaamheid van nieuwe leden werd door de toetredingsvoorwaarden, leertijd en andere voorwaarden verzekerd. Daarnaast zorgden de strenge reglementen voor controle op de kwaliteit van de producten die door het gilde werden geproduceerd. Het meesterteken was een voorbeeld van een manier om controle uit te oefenen op de kwaliteit van de producten. Elke meester diende een uniek teken te kiezen, waarmee het werk van diens werkplaats te herkennen was.

 

Ook bood het gilde voordelen op het sociale vlak. Gerard Ritter noemt hier een aantal van in zijn dissertatie. De oprichting van het Sint Eloy gasthuis was hierin zeer belangrijk. Het gasthuis is waarschijnlijk in de eerste helft van de vijftiende eeuw opgericht. Het voorzag in de verpleging van behoeftige leden van het gilde. In de zeventiende eeuw kwamen er nog sociale voorzieningen bij. Het gasthuis bleef armen verzorgen en nam ook bejaarde broeders en zusters uit het gilde op. Ook kon er meer armenzorg worden verstrekt dankzij een grote erfenis van een van de gildeleden, zo ontstond een traditie binnen het gilde: het wekelijks uitdelen van brood aan arme leden van het gilde bij de buurkerk.

 

Tot slot bood het gilde voordelen op religieus gebied: leden werden voorzien van een behoorlijke begrafenis. Niet alleen betaalde het gilde de begrafenis, ook werd er een stoet en mis verzorgd voor de overledene, de overige leden waren verplicht te participeren. Het zielenheil van leden werd hierbij in acht genomen: door zijn leden te verplichten naar de begrafenis van medebroeders te komen, en naar de mis de daaropvolgende dag, zorgde het smedengilde voor religieuze voorzieningen die men voor de Reformatie zeer belangrijk achtte.                     

Obligations of members? 

Er waren verschillende soorten verplichtingen waaraan gildeleden zich dienden te houden. Ten eerste beroepsmatige verplichtingen, zo valt bijvoorbeeld te zien dat leden geen ‘gewrochten’ werk mochten verkopen. Bovendien waren er bepalingen omtrent: verkoopdata, werktijden, meesterproeven, het opleiden van leerlingen en het inhuren van andermans knapen.

 

Ten tweede moesten leden zich houden aan maatschappelijke verplichtingen zoals militaire dienstplicht en het komen naar de morgenspraak. Leden moeten zich tijdens deze vergaderingen netjes gedragen, in een ordonnantie uit 1636 wordt dit vastgelegd op straffe van 1 stuiver. Ook mochten er tijdens de morgenspraak geen ‘onreedelijke woorden’ gesproken worden, de broeders moeten bovendien netjes gekleed gaan; niet ‘met schootsel oft berre beend’, en niet voor hun beurt praten.

 

Ten derde moesten leden zich houden aan religieuze verplichtingen. Elke week moesten zij op zaterdag het werk eerder staken en zondags naar de mis gaan. Op dagen waarop heiligen werden vereerd staakten de smeden ook het werk en gingen ze gezamenlijk naar de kerk. Ook begrafenissen en dopen waren aangelegenheden die door het gilde gezamenlijk werden verzorgd.

Literature on case study

  • Overvoorde, J.C. en Joosting, J.G.C., 1896. De gilden van Utrecht tot 1528: verzameling van rechtsbronnen, 2 dln. 's-Gravenhage: Martinus Nijhof .
  • Ritter, G.J., 1987. Het Utrechtse smedengilde. Metaalbewerkers in Utrecht in de 17e en 18e eeuw. Doctoraalscriptie. Rijksuniversiteit Utrecht.
  • Rommes, R. en van der Spek, J., 2004. Met hand en hart. Zeven eeuwen smedengilde en St. Eloyengasthuis in Utrecht 1304-2004. Utrecht: SPOU.
  • Slokker, N.H., 2009. Ruggengraat van de stedelijke samenleving: De rol van de gilden in de stad Utrecht, 1528-1818. Utrecht: Utrecht University.

Sources on case study

  • Het Utrechts Archief (HUA), archief smedengilde 708-1, inventarisnummers: 95, 96, 97.
  • HUA, archief smedengilde 712-7-1, inventarisnummers: 7, 8, 9 en 84.

Links to further information on case study:

Current case study composed by

 Winny Bierman, Utrecht University

 

 

 

> Back to overview of casestudies