Interview met Eva Vriens over broodfondsen

Promovendus Damion Bunders interviewde zijn inmiddels gepromoveerde oud-collega Eva Vriens over haar onderzoek naar broodfondsen, een bepaald type  onderlinge verzekering - of kortweg 'onderlinge'. Een gesprek over simulaties, moreel risico, onderlinge verzekeringen in heden en verleden, succesfactoren en de rol van de overheid.

 

Ga snel naar:

Onderlingen nu en in het verleden

De opleving van onderlingen

> Succesfactoren

> Moreel risico

> Het ideale broodfonds

> Onderzoek door simulatie

> Risico-aversie

> Risico-heterogeniteit

> De rol van de overheid

> Links en verantwoording

 

Damion Bunders: Ik interview vandaag Eva Vriens, die op 7 mei cum laude promoveerde aan de Universiteit Utrecht, op onderzoek naar de werking van broodfondsen. Welkom, Eva. Je hebt echt een prachtig onderzoek gedaan naar de broodfondsen in Nederland, en andere nieuwe onderlingen, maar wat is een onderlinge nou eigenlijk en hoe verschilt de nieuwe golf van onderlingen van hun voorgangers?

 

Eva Vriens: Dankjewel. De naam onderlinge wordt met name gebruikt als we het hebben over onderlinge verzekeringsgroepen uit de negentiende eeuw, die redelijk informeel waren ingesteld. Het waren mensen die met elkaar besloten het risico te delen en op die manier een soort eigen verzekering op te stellen. Die mensen besloten zelf wie ze daarbij uitnodigden of niet uitnodigden. En er was een grote nadruk op de sociale aspecten van risico met elkaar delen, voor elkaar doen. Daarnaast waren er ook heel veel sociale activiteiten, om dus de nadruk te leggen op de samenhang in de groep, het vertrouwen, de onderlinge controle en solidariteit.

 

Het grootste deel van de onderlingen uit de negentiende eeuw is verdwenen op het moment dat de verzorgingsstaat is opgekomen. Die kwam op vanuit het idee dat dit soort hulp, dit soort verzekering in geval van ziekte of bijvoorbeeld pensioen voor iedereen beschikbaar zou moeten zijn, niet alleen voor de mensen die toevallig in zo’n groep zijn toegelaten. Als het gaat om schadeverzekeringen of levensverzekeringen, zie je dat de onderlinge moest gaan concurreren met de private verzekeringen. Ook verzekeraars die officieel nog het karakter van een onderlinge hebben houden in de praktijk weinig vast van wat oorspronkelijk het idee was: met elkaar, voor elkaar een verzekering opzetten. Dus dat element van solidariteit is verdwenen.

 

Als we het hebben over de groepen waar ik onderzoek naar heb gedaan, die dus in de laatste tien, twintig jaar zijn opgekomen, zie je vaak dat zij teruggaan naar die kleine groepen, waarin mensen voor elkaar, met elkaar risico delen. En daarmee gaan ze dus terug naar de voorgangers in de negentiende eeuw. Maar ze organiseren zich toch weer anders, waardoor je dus vaak ziet dat ze wat hippere namen gebruiken, zoals crowd insurance of peer-to-peer insurance. Maar de kern is in deze nieuwe groepen dat het kleinschalige groepen zijn, waarin leden in meer of mindere mate iets te zeggen hebben.

 

Damion: In Nederland zijn er bijna 30.000 mensen bij een broodfonds aangesloten, daarnaast zijn er ook nog vergelijkbare organisaties. Waar komt die opleving van onderlingen vandaan? Is Nederland hierin uniek?

 

Eva: Nederland is in die zin uniek, dat de organisaties die Nederland kent allemaal voor ZZP’ers en door ZZP’ers zijn opgericht. Maar over de hele wereld zie je eigenlijk dat het een reactie is op toenemende privatisering in de verzekeringswereld. Dat kan zijn dat een verzekeraar steeds hogere premies vraagt voor mensen met een heel hoog risico, of ze zelfs uitsluit van een verzekering. Voor die groep mensen kunnen nieuwe organisaties ontstaan om verzekeren weer socialer, kleinschaliger te maken.

 

Aan de andere kant is er een groep organisaties die opkomt als reactie op de privatisering van de verzorgingsstaat. In Nederland hebben we dat gezien toen in 2004 de Wet Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen werd afgeschaft. Dat betekende dat voor zelfstandigen, die dus niet in loondienst werken, niets meer geregeld werd in geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid. Zelfstandigen die moeten sindsdien gebruik maken van een private verzekeraar. Alleen is in die tijd de private markt niet echt meegegroeid, wat betekent dat voor veel ZZP’ers de prijs van een private arbeidsongeschiktheidsverzekering ontzettend hoog is. En dus zie je een reactie, waarin nieuwe organisaties zijn opgestaan, broodfondsen als eerste, waarin mensen zeggen: we kunnen ook gewoon als groep ZZP’ers besluiten om elkaar te helpen door maandelijks wat geld opzij te leggen en op die manier een reserve te hebben voor als een iemand uit onze groep ziek wordt.

 

Damion: En denk je dat dat vooral met die wegvallende wetgeving te maken heeft, of hebben we ook een bepaalde cultuur onder de ZZP’ers, dat zij dit zo opzetten?

 

Eva: Ik denk niet dat het de cultuur onder de ZZP’ers is. Want tegelijkertijd met deze beweging zie je een veel grotere beweging van groei van coöperaties, groei van burgercollectieven op allerlei terreinen: in energie, zorg, voedsel, landbouw, noem maar op. Dus het is niet specifiek voor ZZP’ers dat zij zelf gaan organiseren. Het natuurlijk wel in die zin specifiek voor ZZP’ers dat de werknemers er gewoon geen gebruik van hoeven te maken. Die zijn niet genoodzaakt om op een andere manier na te gaan denken over hoe hij het zou kunnen organiseren.

 

Damion: De hoofdvraag van je onderzoek is waarom sommige onderlingen nou succesvol zijn en andere niet. Hoe heb je dat onderzocht? Want er zijn natuurlijk allerlei manieren om naar succes te kijken.

 

Eva: Ja, zeker. Het is ook een ontzettend grote vraag. Als ik het heb over succes, dan heb ik het niet over de vraag of die onderlingen succesvoller zijn dan bijvoorbeeld een private verzekering. Daar heb ik niet naar gekeken. Maar ik heb wel geprobeerd te kijken wanneer dit type organisaties succesvol zijn. En dat heb ik gedaan door op drie verschillende factoren te focussen.

 

Als eerste de kenmerken van de organisatie, waarbij ik broodfondsgroepen heb vergeleken met andere voorbeelden van nieuwe onderlingen en met historische onderlingen, om potentiële succes- en risicofactoren te achterhalen. Daarnaast heb ik gekeken naar de sociale component, aangezien de nieuwe onderlingen heel sterk de nadruk leggen op solidariteit. Dus daarvoor heb ik gekeken naar de relaties tussen leden, hoe goed ze elkaar kennen en hoe dat van invloed is op het vertrouwen en de betrokkenheid binnen de groepen. En tenslotte heb ik ook nog gekeken naar de individuele motivaties. Door middel van een experiment heb ik onderzocht tot wanneer leden van een groep bereid zijn om anderen te steunen. Alles bij elkaar kan dit een beeld geven van wat beter werkt en wat minder goed werkt.

 

Damion: Het heeft dus ook te maken met de duurzaamheid van zo’n onderlinge, dus hoe lang ze in stand kunnen blijven.

 

Eva: Ja, precies, ja. Met opnieuw de kanttekening: voor zover we het nu weten. Maar gegeven waar we nu zijn, en gegeven de korte geschiedenis die deze groepen hebben, wat maakt dan een groep duurzamer dan een andere? Veerkrachtiger is misschien een betere benaming.

 

Damion: Je beschrijft ook moreel risico - of moral hazard - en adverse selectie - als mogelijke problemen. Wat betekent dit precies voor bottom-up onderlingen?

 

Eva: Nou ja, dit zijn allebei problemen die voor verzekeringen in het algemeen gelden. In het geval van moral hazard beschrijf je de neiging die mensen kunnen hebben om op een bepaalde manier misbruik te maken van de verzekering. En dat kan zijn doordat ze zich zodra ze de verzekering hebben afgesloten, dat ze zich anders gaan gedragen, meer risico gaan nemen, waardoor de kans misschien groter is dat ze uiteindelijk van de verzekering gebruik moeten maken. Het kan ook zijn dat ze op een gegeven moment denken: ik betaal zoveel, ik verdien het nu ook wel om er iets van terug te krijgen. En dan heb je het dus over een bepaalde vorm van fraude.

 

Het tweede probleem, adverse selection, dat heeft meer te maken met wie zich aansluiten bij dit soort groepen. Dat is de neiging dat mensen met een laag risico over het algemeen denken: ik vertrouw er wel op, ik kan het ook wel zonder verzekering. Terwijl mensen met een hoog risico, die dus een grotere kans hebben om de hulp van de onderlinge verzekering ook nodig te hebben, sneller geneigd zouden zijn om zich aan te sluiten bij zo’n groep. Dit is misschien wel een risico voor deze nieuwe organisaties, omdat die volledig vrijwillig zijn. Dit is anders dan bij de verzorgingsstaat, waarbij iedereen, en dus ook mensen met een laag risico, automatisch door middel van belastingen deelneemt.

 

Damion: Kunnen die broodfondsen zich hier ook nog tegen beschermen, bijvoorbeeld met bepaalde regels?

 

Eva: Nu kom je op een interessante balans. Want de groep zou kunnen beslissen bepaalde regels op te stellen en dus mensen uit te sluiten, terwijl de motivatie waaruit broodfondsen zijn ontstaan is juist: verzekeren weer voor iedereen toegankelijk maken. De groepen stellen dus in principe dat niemand wordt uitgesloten. Maar dit is wel het risico als je het hebt over dit soort vrijwillige organisaties, waarin leden zelf besluiten met wie ze een groep vormen, dat er een mogelijkheid is tot uitsluiting. En dat er misschien bepaalde groepen zijn die minder goed hun weg weten te vinden naar zo’n groep.

 

Damion: Zeker, dat is natuurlijk ook een spanningsveld. In het onderzoek bekijk je de broodfondsen ook als sociale groepen met een onderling netwerk. Hoe ziet nou volgens jou de ideale groep eruit, en in hoeverre is die maakbaar?

 

Eva: Dat is een interessante vraag. Hoe de ideale groep eruit ziet, dat hangt af van een heleboel factoren. Als je kijkt binnen broodfondsgroepen, komt er uit mijn onderzoek heel duidelijk naar voren dat groepen waarbinnen de leden elkaar goed kennen, daarin is het vertrouwen gewoon hoger. Dat geeft aan dat die groepen toekomstbestendiger zijn: leden hebben er vertrouwen in dat andere leden ook lid zullen blijven en zijn zelf ook echt betrokken om door te gaan. Daarbij is wel een belangrijke kanttekening dat het hele organisatiemodel van broodfondsen erop is gericht dat mensen dit met elkaar doen. Die kan dus ook alleen functioneren als het vertrouwen in de groep groot is. Want in broodfondsgroepen komt er geen arts aan te pas om te zien wie er wel recht heeft op steun, het is volledig gebaseerd op vertrouwen.

 

Damion: Ik weet nog hoe we dit vroeger omschreven: cohesie is een feessie.

 

Eva [lacht]: Ja. Nou goed, ik denk dat dat dus wel een beetje de kracht is. Dat zag je in die negentiende-eeuwse voorbeelden. Die waren niet alleen een verzekering, maar ze gebruikten een deel van die opgebouwde verzekeringspot bijvoorbeeld voor het organiseren van feesten. Om maar die onderlinge verbinding tussen de leden en het vertrouwen groot te houden, maar ook de mogelijkheid te geven tot informele controle.

 

Damion: heel interessant. Voor zo’n succesvol broodfonds kun je niet alleen maar mensen met een hoog risico hebben. Daarom gaat een flink deel van je onderzoek over risico-heterogeniteit. Misschien kun je eerst iets vertellen over de simulaties die je gedaan hebt.

 

Eva: Ja, in de praktijk zijn er natuurlijk mensen waarvan het risico dat ze een verzekering nodig hebben gewoon groter is dan voor anderen. En wat deze groepen dus doen is uitgaan van de bereidheid om elkaar te helpen, dus van solidariteit. Nou zit er misschien wel een grens aan die solidariteit. Ik heb dus gekeken hoe dat een rol zou kunnen spelen, allereerst door middel van simulaties. Het is een algemeen gegeven dat het aantal aanspraken op de verzekeringspot heel erg verschilt over de tijd. Dat betekent dat mensen vandaag kunnen besluiten mee te doen, het volgende maand nog steeds een goed idee vinden, maar over een jaar misschien denken: ik had niet verwacht dat zoveel mensen ziek zouden worden, ik stap er toch uit. Er kan dus een risico ontstaan dat als er een of twee mensen uitstappen, dat de overigen ook opnieuw een afweging moeten maken en gegeven de nieuwe groepssamenstelling hun lidmaatschap opzeggen.

Die simulaties hebben geholpen om te laten zien wat nou precies die samenhang is in de bereidheid deel te blijven nemen tussen een groep die heterogener is in risico, ten opzichte van groepen waarvan de risico’s heel dicht bij elkaar liggen. Dus: wat gebeurt er nou als je een kunstmatige situatie creëert, waarin mensen over de tijd steun vragen, de ene keer meer dan de andere keer. Welke groepen zijn dan veerkrachtiger en succesvoller?

 

Damion: En je hebt dat natuurlijk ook onderzocht bij de broodfondsen. Klopten die simulaties nou, of zat dat toch echt anders in de echte wereld?

 

Eva: Wat je in echte groepen zag is dat bij broodfondsgroepen de solidariteit echt een hele grote rol speelt, meer dan in kunstmatige simulaties. Dus als motivatie is solidariteit heel belangrijk voor leden, ook in het experiment zag je dat terug. Solidariteit speelde ook in het experiment een rol, maar niet gericht op specifieke mensen in de groep, want ze hadden geen idee wie dat waren. Dat is denk ik wel een belangrijk onderscheid, dat leden die zich aansluiten bij zo’n groep, dus al een basisvorm van solidariteit in zich hebben. En vervolgens kan dat binnen die groepen nog versterkt en uitgebouwd worden, doordat zich relaties binnen de groep opbouwen.

 

Damion: Je hebt het daarbij ook over risico-aversie. Hoe speelt dat dan een rol?

 

Eva: 

Risico-aversie dat gaat erom dat mensen liever risico’s vermijden. Het idee is dat als je geen verzekering afsluit, je dus iedere maand het risico loopt om geen inkomen te hebben omdat je ziek bent. Terwijl als je je bij een groep aansluit, dan heb je dat risico tenminste weggenomen. En wat ik heb gevonden, in zowel broodfondsgroepen als in het experiment, is dat mensen niet zozeer een keuze maken tussen wel of niet een risico afdekken, maar tussen wel of niet risico’s willen nemen. En instappen in een broodfonds is evengoed een risico.

 

In het experiment kon ik zien dat hoewel mensen in eerste instantie eigenlijk niet zo goed weten of ze in moeten stappen, degenen die wel instappen over de tijd steeds meer overtuigd raken dat het een goede oplossing is. Wat niet wil zeggen dat de anderen een verkeerde beslissing hebben gemaakt. Maar als ze de keuze hebben gemaakt, raken ze daar wel steeds meer van overtuigd en gaat risico-aversie voor het risico ziek te worden dus wel een rol spelen.

 

Damion: Als advies aan de broodfondsen zelf maak je duidelijk dat solidariteit echt hun geheime wapen is. Is dat nou voldoende of moeten ze dan ook nog wat met die risicoheterogeniteit?

 

Eva: Ze moeten zeker iets met die risicoheterogeniteit. Ook al maak je de keuze om niet de kosten te laten variëren tussen de deelnemers, is het nog steeds wel belangrijk om te weten of er mensen zijn die relatief meer moeten betalen en anderen die relatief meer ontvangen. Want wat ik in de simulaties en in het experiment zag, is dat als het misging, dat vaak reacties waren op wat er op dat moment gebeurde. Dus als op een bepaald moment tijdelijk veel meer steun wordt aangevraagd, en dus tijdelijk die kosten heel erg omhoog gaan, dan reageren mensen op dat gegeven en niet op de hele geschiedenis daarvoor. Dus het is wel van belang om in de communicatie te laten zien dat schommelingen erbij horen.

 

Een ander belangrijk punt is dat, mochten er nou toch leden besluiten om uit te stappen, dat het heel belangrijk is om met de rest van de groep contact te hebben. Om met elkaar te bespreken dat ze als groep nog steeds groot en sterk genoeg zijn om door te gaan en de risico’s op te vangen. Ook als er in een bepaald jaar meer gebruik is gemaakt van de groep, dan is belangrijk om met de groep als geheel een gesprek te voeren over: wat heeft dit nou betekend en hoe gaan we hier als groep mee om? Zijn we financieel hier sterk genoeg voor? Maar ook: wat betekent het voor de onderlinge dynamiek tussen de mensen?

 

Damion: Ten slotte: welke rol zie je in de toekomst voor overheden? Kunnen ze die nieuwe onderlingen gaan ondersteunen of denk je dat ze als publieke verzekeraar deze juist zullen doen verdwijnen?

 

Eva: Nou, op dit moment ligt er een plan in het nieuwe pensioenakkoord om de AOV voor zzp’ers verplicht te maken. Dus wat dat betreft is de overheid al bezig om weer een vorm van arbeidsongeschiktheid te regelen voor zzp’ers. Maar in het plan zoals het er nu ligt kan er een eigenrisicoperiode van max. twee jaar gekozen worden. Dan blijft er dus nog steeds bestaansruimte voor broodfondsgroepen, of voor andere onderlinge verzekeraars, om het risico voor de kortdurende ziektes op te vangen op een collectieve manier, een onderlinge manier. En om op die manier nog steeds dat voordeel te genieten van lagere kosten en van kleinschaligheid en solidariteit.

 

Damion: Nou, het is mooi om te horen dat er dan toch een toekomst is voor de nieuwe onderlingen. Dank je wel, Eva, voor het interview. Ik denk dat het hartstikke nuttige inzichten heeft opgeleverd. Dankjewel.

 

Eva: Graag gedaan. Bedankt voor de uitnodiging.

 


Links en verantwoording

> Meer informatie over broodfondsen: Broodfonds.nl

> Het proefschrift van Eva Vriens: Mutualism in the 21st century. The why, when, and how behind successful risk-sharing institutions