Ja, ik wil! Verliefd, verloofd, en getrouwd in Amsterdam 1580-1810

Verboden graden van verwantschap

 

Volgens het huwelijksrecht van de Rooms-Katholieke Kerk, dat vele eeuwen leidend was in grote delen van Europa, was een  vrijwillige wederzijdse huwelijksbelofte tussen twee geliefden al voldoende om een huwelijk rechtsgeldig te laten zijn, zelfs als was dit huwelijk in het geheim (clandestien) gesloten. Toch golden ook vroeger al een aantal uitzonderingen hierop, deels op morele, maar deels ook op erfrechtelijke gronden. 

 

Bijbelse tijden

 

De Bijbel geeft, met name in de Bijbelboeken Genesis en Leviticus, een opsomming van verantschapsrelaties waarbinnen ondelringe huwelijken zijn verboden. Hoewel de meeste verboden terug te voeren zijn op een verbod vanwege bloedverwantschap, strekte dit verbod zich ook uit tot personen die weliswaar geen bloedverwanten waren, maar door huwelijk tot dezelfde familie waren gaan behoren.

Een belangrijke uitzondering hierin was het zogenaamde 'zwagerhuwelijk' of 'leviraatshuwelijk' , vooral bekend vanuit de Joodse huwelijkswetgeving, maar in vroeger tijden ook in gebruik bij andere volkeren zoals de Hettieten. Bij het zwagerhuwelijk werd de broer van een overleden Joodse man die kinderloos was gestorven, geacht diens plaats in te nemen en de weduwe van zijn broer te trouwen, om zo diens nalatenschap en de latere oudedagsverzorging van de weduwe veilig te stellen.

 

Romeins recht

 

In het Romeins recht stond de bloiedverwantschap meer centraal. Als er sprake was van een 'voorvaderlijke verwachtshap', was een huwelijk in proncipe niet toegestaan. Het schema hiernaast is een achttiende-eeuwse weergave van de betreffende verwantschappen.

Het verbod gold voor de verwantschap in opgaande en dalende lijn. Daarom vielen binnen de Romeinse huwelijkswetgeving huwelijken tussen neven en nichten meestal niet onder het verbod, omdat er geen sprake was van een rechtstreekse opgaande  of dande lijn tussen neef en nicht; wel waren broer-en-zus-huwelijken verboden.

 

De Katholieke huwelijkswetgeving

 

De verwantschapsgraden die de Katholieke kerk als verboden graden beschouwden varieerden door de eeuwen heen. De vroegste bepalingen waren gebaseerd op de oude Joodse huwelijkswetten. Tijdens diverse concilies werd de reikwijdte van de verboden uitgebreid. Het voert te ver om alle details hier te nomenen, maar de belangrijkste ontwikkelingen waren

 

Synode van Epaone (517)

Aanvullend op de bestaande verboden werd een tevens verboden te trouwen met de weduwe van zijn broer,de zuster zijner eigen overleden echtgenote, met zijn stiefmoeder, met oomzegsters, de weduwe van zijn oom, of met zijn stiefdochter.

 

Verbod op huwelijken tussen veranten tot in de zevende graad (ca. 600)

Op aandringen van de aartsbisschop en latere heilige Isidorus van Sevilla werden huwelijken tussen verwanten tot in de  zevende graad verboden. Dit verbod, dat dus vele huwelijkskandidaten formeel uitsloot van een geldig huwelijk en daarom in de praktijk vaak overtreden zal zijn, had met name gevolgen voor het erfrecht: kinderen uit dergelijke huwelijken konden op basis van de verwantschapsgraad van hun ouders juridisch als 'onwettige' kinderen beschouwd worden (immers voortgekomen uit en feiteijk ongeldig huwelijk) en daarmee het recht op hun erfdeel verliezen. Met name in dynastieke conflicten binnen het Heilige Roomse Rijk speelden de verboden huwelijksgraden tot in de zevende graad een belangrijke rol, omdat op basis daarvan velen het recht op erven van goed en land ontzegd kon worden.

 

Concilie van Trente (1545-1563) en decreet Tametsi (1563)

Besluiten over wijzigingen in het huwelijksrecht werden pas tijdens een van de laatste zittingsdagen van het over een periode van vele jaren uitgesponnen concilie genomen en samengevat in het decreet Tametsi. Naast de verplichting tot het instellen van doop- en huwelijksregisters werd het aantal verboden huwelijksgraden teruggebracht van zeven naar vier. Bovendien werd vastgesteld dat voor voorgenomen huwelijken binnen deze vier graden in voorkomende gevallen vrijstelling van het verbod (dispasatie) mocht worden verleend door de bisschop onder wiens bisdom het bruidpaar viel.

 

Wereldlijke wetgeving

Naast de kerkelijke huwelijkswetgeving stelde ook een wereldlijke heerser als Keizer Karel V een verbod in op huwelijken binnen bepaalde graden van verwantschap. In zijn Edict van 1540 werden niet alleen bloedverwanten, maar ook aangehuwde verwanten van huwelijken met te nauw verwanten uitgesloten. Gelet op de trekst van de bepaling en het feit dat ookk de aangehuwde verwanten hier uitdrukkelijk werden benoemd, lijkt het gerchtvaardigd om er van uit te gaan dat met name de complexe erfrechtkwesties die dergelijke huwelijken met zich mee konden brengen de aanleiding vormden tot de uitvaardiging van dit edict.

 

Verboden graden na de Reformatie

Met de Reformatie kwam ook een eind aan het monopolie van de Rooms-Katholieke Kerk op het gebied van de huwelijkswetgeving. De gereformeerde machthebbers beschouwden immers het huwelijk eerst en vooral als een werelds, 'politiek' onderwerp, waarover ook de wereldlijke rechtspraak zeggenschap had. Toch waren ook in gereformeerde ogen huweijken tussen te nauw verwanten onwenselijk, zowel vanuit moreel als vanuit erfrechtelijk oogpunt. In de Politieke Ordonnantie van 1580 werden dan ook in de artikelen 5 tot en met 11 de volgende huwelijken uitdrukkelijk verboden:

 

  • huwelijken tussen personen in rechte afstammingslijn (ouders met kinderen, grootouders met kleinkinderen, etc.) [art. 5]
  • huwelijken tussen (half)broer en (half)zussen [art. 6]
  • huwelijken tussen ooms en oomzegsters en huwelijken tussen tantes en tantezeggers; ooms en tantes was het ook verboden te trouwen met kinderen of kleinkinderen van een oom- of tantezegger [art. 7]
  • huwelijken tussen een weduwnaar of weduwe met een verwant van de overleden partner die binnen de in artikel 5 tot en met 7 genoemd vallen [art. 8]
  • huwelijken tussen een weduwnaar of weduwe en een stiefkind, of met nakomelingen van een stiefkind [art. 9]
  • huwelijken tussen een weduwe en een broer van haar overleden echtgenoot, alsmede huwelijken tussen een weduwnaar en de zus van zijn overleden echtgenote [art. 10]
  • huwelijken tussen een weduwe en de oom van haar overleden echtgenoot, evenals tussen een weduwnaar en de tante van zijn overleden echtgenote.; zij mochten ook geen huwelijk aangaan met de nakomelingen van deze personen [art. 11]

 

Deze verboden verwantschapsgraden kwamen grotendeels overeen met de graden die binnen de roomskatholieke huwelijkswetgeving als verboden golden. Een belangrijke wijziging was dat peetooms en -tantes, die volgens de roomskatholieke opvattingen geestelijke verwant waren aan de dopeling'niet langer werden uitgesloten van een huwelijk met hun petekind, mits zij uiteraard niet binnen een andere verboden verwantschapsgraad vielen (hetgeen vaa het geval was, omdat peetouders vaak ooms en tantes van de dopeling waren).

 

Uitzonderingen

Met name in kleinere dorpen en steden leidde het principe van verboden huwelijksgraden tot complicaties: in deze gemeenschappen was er immers vaak sprake van een beperkt aantal families waartoe ieder van de dorpelingen behoorde. Onderlinge verwantschap kwam daardoor vaak voor bij aanstaande bruidsparen. In dergelijke gevallen dienden de verloofden vrijstelling ('dispensatie') aan te vragen om te mogen trouwen. Met name uit de roomskatholieke Zuidelijke Nederlanden zijn veel dipensaties bekend, zoals {dispensaties en link}.

 

Een andere belangrijke uitzondering betrof de Joodse gemeenschappen. Binnen het Joodse geloof was hhet gebruikelijk dat bij een kinderloos overleden gehuwde man een ongehuwde broer trouwde met diens weduweL het zogenaamde 'leviraatshuwelijk' of 'zwagerhuwelijk'. Volgens de regels van de Politieke Ordonnantie van 1580 was een dergelijke huwelijk niet toegestaan. De Staten-Generaal besloten echter deze Joodse zwagerhuwelijken wel als geldig te beschouwen. De redenering hierachter was dat deze huwelijken, hoewel in strijd met de bepalingen in de ordonnatie, gebaeerd waren op de wetten die Mozes ontvangen had en dat een verbod op dergelijke huwelijken Joden te zeer zou verhinderen om conform hun geloofsovertuiging te leven.

 

Huidige verboden huwelijken

De in 1580 vastgestelde verboden huwelijksgradEn bleven formeel nog lang in stand, hoewel uit de praktijk blijkt dat hier niet altijd even strikt op werd toegezien

 

Pas in 1970 kwam met de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek een einde aan het verbod op huwelijken met aan- en bloedverwanten in de derde graad: zo waren huwelijken tussen ooms en oomzegsters en tantes en tantezeggers voortaan niet meer verboden. Ook huwelijken tussen neef en nicht werden vanaf 1970 erkend.

 

Vanaf 2009 waren er initiatieven om de toestemming voor neef-nichthuwelijken weer terug te draaien met het oog op de bestrijding van gedwongen huwelijken. De hieraan gepaard gaande discussie leidde uiteindelijk niet tot een verbod, maar wel tot de in 2015 ingevoerde Wet tegengaan huwelijksdwang. Daarbij werd gesteld dat bij huwelijken tussen neef en nicht, maar ook tussen ooms en omzegsters of tantes en tantezeggers, de huwelijkspartners onder ede dienen te verklaren dat zij het huwelijk uti vrije wil aangaan.